#358: Vervlogen tijden

In Vaklunch #355 schreven we dat de bewijsvoering van witwassen zonder geïdentificeerd gronddelict soms aandoet alsof het Openbaar Ministerie geen bewijslast zou hebben en dat het aan de verdachte is om zijn onschuld te bewijzen. Maar dat gaat een stap te ver. Dit zou de bewijslast ten onrechte bij de verdachte neerleggen. Bij een vermoeden dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte een verklaring over de herkomst van het vermogen worden verlangd. De bewijslast voor het delict rust echter op het Openbaar Ministerie. Dat geldt ook voor het vereiste bewijs van (voorwaardelijk) opzettelijk handelen.

In de praktijk bestaat gedurende het opsporingsonderzoek vaak al veel discussie over de vraag of de verdachte “een voldoende verklaring” heeft gegeven over de herkomst van het vermogen. Ook komt het in de praktijk voor dat het Openbaar Ministerie meent dat als de gegeven verklaring volgens de officier van justitie niet voldoende is om de herkomst van het vermogen te verklaren, daaruit het bewijs van opzet op witwashandelingen volgt. Maar de eisen aan het bewijs van (voorwaardelijk) opzet zijn strenger dan dat.

Deze situatie speelde bijvoorbeeld in de zaak waar Rechtbank Rotterdam op 11 december 2019 vonnis over wees. In deze zaak was de verdachte gewoontewitwassen ten laste gelegd, omdat hij in de periode tussen 2003 en 2007 een tiental geldbedragen had overgeboekt en een stuk grond voorhanden had dat was gekocht met geld uit een lening zonder dat duidelijk was wat de herkomst van het geld was.

De rechtbank overweegt dat voor een veroordeling buiten elke redelijke twijfel vast dient te staan dat de verdachte heeft geweten dat het geld van misdrijf afkomstig was. Het (voorwaardelijk) opzet op de gedraging moet immers kunnen worden bewezenverklaard. De rechtbank overweegt in deze zaak dat het voorwaardelijk opzet objectief kan worden beoordeeld op basis van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen. Zo was onder meer sprake van inbreng in contante bedragen in Spaanse peseta’s en Duitse marken, er is geen sprake van een inzichtelijke boekhouding, maar wel van een administratie met ‘versluierd taalgebruik’ en waren er constructies met rechtspersonen waarachter de uiteindelijke begunstigde verborgen bleef. In dit specifieke geval kan op basis van die uiterlijke verschijningsvorm worden vastgesteld dat de verdachte ten minste de aanmerkelijke kans – of de reële niet onwaarschijnlijke mogelijkheid – heeft aanvaard dat het geld van misdrijf afkomstig zou zijn.

Toch komt de rechtbank tot de vrijspraak. De rechtbank overweegt dat geoordeeld moet worden over uiterlijke verschijningsvorm van het gedrag in de tenlastegelegde periode, dat is de periode tot en met 2007, en niet 2019. En dan komt de rechtbank tot een ander oordeel: “De rechtbank kan thans niet naar objectieve maatstaven vast stellen dat de bovenbedoelde gedragingen in de bedoelde periode in Andorra hebben te gelden als gedragingen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zo zeer zijn gericht op witwashandelingen, dat het niet anders kan dan dat de verdachte moet hebben geweten dat hij door misdaad verworven vermogens voorhanden heeft gehad en heeft gebruikt.”

Wat ons betreft is Rechtbank Rotterdam terecht kritisch op de bewijsvoering van het Openbaar Ministerie. Het is van belang om gedragingen in de context te plaatsen. Althans, het is van belang om ideeën die zijn ontwikkeld in de huidige tijd niet op vervlogen tijden te projecteren. Dit vonnis zou een trigger moeten zijn voor het Openbaar Ministerie om zorgvuldiger met de bewijsvoering in witwaszaken om te gaan en zich niet alleen te richten op de verklaring van de verdachte over de herkomst van het vermogen, maar ook op de aanwezigheid van bewijsmiddelen voor opzettelijk handelen ten tijde van de gedraging. Hopelijk leidt dit ertoe dat het Openbaar Ministerie in witwaszaken minder gemakkelijk de gedachte van ‘prijsschieten’ de overhand laat nemen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

 

Geen reacties

Plaats een reactie