#664: Dezelfde steen, dezelfde juridische stroom
De Griekse filosoof Heraclitus leerde ons dat je niet tweemaal in dezelfde rivier kunt stappen. Het water stroomt immers voort; de rivier is telkens anders. In het fiscale strafrecht lijkt het omgekeerde waar: de juridische stroom blijft identiek, maar toch blijft men struikelen over dezelfde steen die kennelijk is ingebed in deze rivier. Het arrest van de Hoge Raad dat op 24 maart 2026 werd gepubliceerd is daar een treffend voorbeeld van.
De zaak draait om een directeur-grootaandeelhouder die door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden als pleger was veroordeeld voor het opzettelijk niet doen van aangiften vennootschapsbelasting ten name van twee vennootschappen. De feiten spraken boekdelen: 21 uitnodigingsbrieven, 18 herinneringen, 18 aanmaningen, een woning vol ongeopende post en een administratie die die naam nauwelijks verdiende. De feiten schetsen het beeld van een verdachte die zich stelselmatig aan zijn fiscale verplichtingen onttrok.
Toch casseerde de Hoge Raad. De reden is even eenvoudig als fundamenteel: de wettelijke aangifteplicht op grond van artikel 69 lid 1 AWR rust op de vennootschap waaraan het aangiftebiljet is uitgereikt, en niet op de natuurlijke persoon die als vertegenwoordiger of gemachtigde dat biljet feitelijk in ontvangst heeft genomen. De verdachte was niet de aangifteplichtige. Hij kon dus niet als pleger worden aangemerkt. Het hof had blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.
Dit is geen nieuw inzicht. De Hoge Raad verwijst expliciet naar diverse eerdere arresten. En ook in de Vaklunch is er al diverse keren aandacht aan besteed, Vaklunch #649 is daar het meest recente voorbeeld van. Artikel 69 AWR is en blijft een zogenaamd kwaliteitsdelict: alleen degene op wie de aangifteplicht rust, kan pleger zijn.
Waarom blijft dit dan toch fout gaan? Wellicht schuilt het antwoord in de verleiding van het voor de hand liggende. Wanneer de feiten schreeuwen om een veroordeling – ongeopende post, ontbrekende administratie, jarenlang stilzitten – is het menselijk om de juridische nuance uit het oog te verliezen. De DGA is immers de persoon achter de vennootschap. Hij opent de post niet, hij doet niets. Maar het strafrecht is nu eenmaal geen systeem van morele intuïtie; het is een systeem van juridische zuiverheid. En die precisie vereist dat het Openbaar Ministerie de juiste deelnemingsvorm kiest.
De Hoge Raad reikt die handschoen ook nadrukkelijk aan: de artikelen 47 tot en met 51 van het Wetboek van Strafrecht bieden voldoende mogelijkheden om een betrokkene als medepleger of feitelijk leidinggever verantwoordelijk te houden. De weg naar een veroordeling is er dus wel degelijk, alleen niet via het plegerschap. Men zou het bijna een uitnodiging van de Hoge Raad kunnen noemen, en de vraag of dit wenselijk is. Het is immers het OM dat de verantwoordelijkheid draagt van een juiste vervolging. En ondertussen tikken de jaren wel door en wordt deze persoon belast met een strafrechtelijk proces. Heeft hij misschien zijn lesje al geleerd en heeft hij een nieuw leven opgebouwd? Een coulante procesafspraak ligt in dat kader wellicht het meest voor de hand.
Hoewel het water in de rivier doorstroomt, blijft deze juridische stroom gelijk – en mogelijk spoelt het deze steen eens uit de bedding.
Heb je hier vragen over of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op via [email protected].