#481: Een brief van de inspecteur

In fiscale fraudezaken lopen de strafrechtelijke procedure en de fiscale procedure vaak naast elkaar. De procedures kennen doorgaans een zekere overlap; als initieel het juiste bedrag aan belasting is geheven, impliceert dat ook dat er geen onjuiste aangifte is gedaan. Het ligt in de rede dat de strafrechter voor de beoordeling van dergelijke fiscaalinhoudelijke vraagstukken rekening houdt met de fiscale procedure. Dit blijkt ook uit een recent arrest van het hof Den Bosch.LEES VERDER

#480: Procesafspraken; wel snel maar geen shortcut!

De afgelopen tijd schreven wij al diverse keren over procesafspraken in het strafrecht (zie bijvoorbeeld Vaklunch #477, #470, #465). Hieruit bleek dat feitenrechters procesafspraken niet op eenzelfde wijze toetsen, met als gevolg rechtsonzekerheid voor de verdachte. De Hoge Raad zal hierover naar verwachting in het aangekondigde arrest van 24 september 2022 meer duidelijkheid scheppen. De daaraan ten grondslag liggende vordering tot cassatie in het belang der wet van Advocaat-Generaal (hierna: AG) Bleichrodt van 14 juni 2022 geeft in ieder geval al een aantal interessante aanknopingspunten.LEES VERDER

#479: Het stappenplan toegepast

In witwaszaken waar sprake is van een onbekend gronddelict, is het stappenplan dat de rechterlijke macht gebruikt voor het beantwoorden van de vraag of geld ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ niet meer weg te denken. Wij hebben hierover ook al in diverse Vaklunches geschreven. Voor een heldere uiteenzetting hiervan verwijzen wij naar bijvoorbeeld Vaklunch #355. Hoe het stappenplan wordt toegepast in de jurisprudentie is net zo interessant als het stappenplan zelf. Wij kwamen nu een mooi arrest tegen van het gerechtshof Amsterdam dat op een aantal punten op relevante wijze invulling geeft aan het stappenplan.LEES VERDER

#472: De civiele rechter over een behoorlijke strafrechtspleging

In het civiele recht komen geregeld strafrechtelijke vraagstukken aan de orde. Zo zal niemand zijn ontgaan dat recent een civiele kort geding rechter een beslissing heeft genomen over de interpretatie van het Wetboek van Strafvordering aangaande het verschoningsrecht. Of hoe rechtbank Amsterdam Sywert van Lienden schorste uit het stichtingsbestuur op verzoek van het Openbaar Ministerie. Op 20 april 2022 kwam een andere interessante rechtsvraag aan de orde bij de civiele rechter, namelijk of een strafrechtelijke transactie zoals bedoeld in artikel 74 Sr kan worden vernietigd op basis van bedrog of dwaling. Dit op grond van de artikelen 3:44, tweede lid, en 6:222 van het Burgerlijk Wetboek (BW).LEES VERDER

#462 Nee tegen NCBC

Deze maand publiceerde de Raad voor de Rechtspraak zijn advies over het conceptwetsvoorstel versterking aanpak ondermijnende criminaliteit II. Het springende punt in dit voorstel is de invoering van non-conviction based confiscation (NCBC) via de Wet confiscatie criminele goederen, waar wij in Vaklunch #400 al aandacht voor vroegen. Deze wet zou het mogelijk maken wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen zonder een daaraan voorafgaande veroordeling. De Raad voor de Rechtspraak stelt in zijn advies kritische kanttekeningen bij dit voorstel en drukt de wetgever op het hart substantiële wijzigingen aan te brengen. En terecht: de voorgestelde NCBC-procedure is wat ons betreft onnodig en onwenselijk.LEES VERDER

#459 In het verleden behaalde resultaten…

…bieden geen garantie voor de toekomst. Dit ondervonden de betrokkenen uit de zaken waarover hof Den Haag op 27 januari 2022 besliste aan den lijve (zie ECLI:NL:GHDHA:2022:57 en ECLI:NL:GHDHA:2022:58). Het Openbaar Ministerie werd in eerste aanleg nog door rechtbank Rotterdam niet-ontvankelijk verklaard omdat het onderzoek waarop het was gebaseerd niet voldoende onafhankelijk was. Het hof draaide dat (deels) terug. Wat maakte dan dat het onderzoek nu toch deugde en wat betekent dit voor de fraudepraktijk?LEES VERDER

#458 KPMG debacle, ronde 2

In Vaklunch #315 schreven wij over de KPMG-zaak. De zaak houdt verband met de ontwikkeling van het KPMG-gebouw, en draait met name om de vraag of een bepaalde realisatievergoeding niet in wezen een verkapte winstuitdeling is geweest voor de aannemer. Het Openbaar Ministerie stelt dat de realisatieovereenkomst en de daarop gebaseerde facturen vals zijn en de aangiften onjuist. Net als de rechtbank in eerste aanleg, spreekt het hof de verdachten in hoger beroep opnieuw vrij. Komt er nu eindelijk een einde aan deze langslepende zaak? En wat betekenen deze vrijspraken nu eigenlijk voor de destijds gesloten transactie met KPMG?LEES VERDER

#450: Creativiteit leidt tot efficiëntie

Al langer klinkt de roep om de mogelijkheid speciale proces- en vonnisafspraken te kunnen maken tussen justitie en verdediging. Op die manier kunnen sommige strafzaken efficiënter worden afgerond met een acceptabele uitkomst voor beide partijen. Het Openbaar Ministerie kan snel en kordaat een voorbeeld stellen en de verdachte weet eerder waar hij of zij aan toe is en hem/haar blijft een jarenlang voortslepend onderzoek bespaard. Even leek de rechtbank in Overijssel een streep te hebben gezet door de mogelijkheid om straftoemetingsafspraken te maken. Gelukkig is dit door de rechtbank Rotterdam nieuw leven ingeblazen. LEES VERDER

#315: Another one bites the dust

In Vaklunch #227  schreven wij over de vrijspraak van oud Achmea bestuurder. In Vaklunch #251  schreven wij over het NS-debacles van het Openbaar Ministerie en sinds vorige week kan het Openbaar Ministerie nog twee debacles op het lijstje bijschrijven. Op donderdag  is Klaas Hummel volledig vrijgesproken door de rechtbank in Amsterdam en op vrijdag  is de voormalig KPMG-topman met medeverdachten volledig vrijgesproken. Alle vier de uitspraken gaan in belangrijke mate over het strafbare feit; valsheid in geschrifte. Wat kunnen wij leren van deze uitspraken?LEES VERDER

#238: De invloed van Schatschaschwili in Nederland

Op 1 juli 2014 heeft de Hoge Raad een overzichtsarrest gewezen over de wijze waarop getuigen opgeroepen dienen te worden en welke toetsingskaders daarop van toepassing zijn. Drie jaar later, op 4 juli 2017,  heeft de Hoge Raad echter alweer een nieuw overzichtsarrest gewezen als het gaat om getuigen. Aanleiding daartoe is de jurisprudentie van het EHRM in het licht van artikel 6 EVRM. Wat voegt dit recente overzichtsarrest toe?

Het arrest van 1 juli 2014 bevat een spoorboekje als het gaat om het oproepen van getuigen. Hier besteedden wij reeds aandacht aan in Vaklunch #074 . Wil je weten welk toetsingskader van toepassing is en welke eisen aan de verdediging worden gesteld als het gaat om het oproepen van getuigen dan geeft dit arrest daartoe handvatten. Het laat echter de werking van artikel 6 EVRM onbesproken. Het arrest van de Hoge Raad uit 2017 gaat hier nader op in.

De werking van artikel 6 EVRM gaat over de vraag of de procedure in zijn geheel een fair trial oplevert. In dat kader dient vooral te worden beoordeeld of de verdediging een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft bestaan om een getuige te (doen) ondervragen, en of het gebruik van die bewuste verklaring dan in strijd met artikel 6 EVRM is. Het EHRM oordeelde in de zaak Schatschaschwili tegen Duitsland  (EHRM 15 december 2015, nr. 9154/10) oordeelde het Hof dat de volgende elementen van belang zijn om te beoordelen of een inbreuk op artikel 6 EVRM heeft plaatsgevonden:

  1. Was er een goede reden voor het niet horen van de getuige en het toelaten van de verklaring tot het bewijs?
  2. Is de verklaring het enige of doorslaggevende bewijsmiddel in de zaak?
  3. Zijn er voldoende maatregelen genomen ter compensatie van het toelaten van de getuigenverklaring voor het bewijs terwijl deze getuige niet door de verdediging is gehoord?

De vraag die de Hoge Raad beantwoordt is of voornoemde uitgangspunten er in resulteren dat de motiveringsplicht van de verdediging voor het oproepen van getuigen in strijd is met artikel 6 EVRM. De Hoge Raad benadrukt echter dat elke motivering voor het oproepen van een getuige een toelichting dient te omvatten waarin is aangegeven waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van een in artikel 348 en artikel 350 Sv te nemen beslissing. Artikel 6, derde lid onder d, EVRM verzet zich niet tegen deze vereiste. Ook de rechtspraak van het EHRM omtrent het ondervragingsrecht noopt niet tot het stellen van andere, lichtere eisen aan de motivering van een verzoek tot het oproepen en het horen van getuigen, aldus de Hoge Raad.

Een in het vooronderzoek afgelegde verklaring van een getuige kan redelijkerwijs van belang zijn voor de door de rechter te nemen beslissingen. Dat betekent echter niet zondermeer dat ook het horen van die getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en 350 Sv te nemen beslissing. Derhalve kan voor de onderbouwing van het verzoek tot het horen van een getuige niet worden volstaan met de enkele stelling dat bij de processtukken een verklaring van die getuige is gevoegd en dat de verdediging de getuigen dus mag horen. De afwijzing van het verzoek kan in het licht van de stand van de procedure dus ook in lijn zijn met de jurisprudentie van de Hoge Raad. Dat laat echter onverlet dat de rechter voordat hij uitspraak doet, zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door art. 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Als de rechter dus een bepaalde getuigenverklaring alsnog wenst te gebruiken voor het bewijs dan dient dit te worden getoetst aan artikel 6 EVRM. Zo nodig zal de rechter hetzij ambtshalve – op de voet van art. 315, eerste lid, Sv dan wel art. 346, eerste en tweede lid, of art. 347, eerste lid, Sv – alsnog moeten overgaan tot het oproepen en het horen van (een) getuige(n), dan wel dienen te besluiten dat de betreffende getuigenverklaring niet kan worden gebruikt voor het bewijs.

Het arrest van de Hoge Raad maakt aldus duidelijk dat de toets van artikel 6 EVRM toegepast dient te worden bij het oordeel over het gebruik van het bewijs omdat dan pas de procedure in zijn geheel nader kan worden beschouwd. Een belangrijke toevoeging van de Hoge Raad waardoor getuigenverklaringen die niet door de verdediging zijn gehoord wellicht niet voor het bewijs mogen worden gebruikt.

Heb je vragen of wil je van gedachten wisselen over het voorgaande neem dan contact met ons op via boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Loading new posts...
No more posts