#404: De toonzetting voor het nieuwe jaar

Nog vlak voor de jaarwisseling eindigt het Openbaar Ministerie met een duidelijk persbericht en zet daarmee de toon voor het nieuwe jaar. Een hoogleraar belastingrecht krijgt een boete van € 50.000 opgelegd in de vorm van een strafbeschikking. De strafbeschikking is een strafmodaliteit die door het Openbaar Ministerie kan worden opgelegd. De motivering geeft inzicht in de gedachtegang van het Openbaar Ministerie in de strafwaardigheid en kan daarmee ook nuttig zijn voor andere zaken.Lees verder

#403: Wat een jaar!

Aan het begin van dit jaar werd de wereld getroffen door de COVID-19 pandemie. Thuis werken werd de nieuwe norm, rechtbanken sloten en achterstanden liepen op. Op dit moment is ons land opnieuw in lockdown en zullen we de feestdagen in kleine kring vieren.

Juridisch gezien wordt dit jaar misschien wel het meest gekenmerkt door de toeslagenaffaire. Hoe heeft het zo mis kunnen gaan bij de Belastingdienst, de politiek en de rechterlijke macht bij de rechtsbescherming van belastingplichtigen? Het laat maar weer eens zien hoe belangrijk de rechtsstaat is en hoe belangrijk het is de burger te beschermen tegen het machtige overheidsapparaat.

Genoeg redenen om 2021 in het teken te laten staan van de rechtsbescherming! Wij zullen hier in ieder geval ons steentje aan blijven bijdragen. Vanaf 2021 doen wij dat allebei als partner verbonden aan Hertoghs Advocaten. Een mooie nieuwe uitdaging waar we heel veel zin in hebben!

We wensen jullie allemaal fijne dagen en een gezond en mooi 2021. De eerste volgende Vaklunch verschijnt op woensdag 6 januari 2021, tot dan!

Mariëlle Boezelman & Judith de Boer

#402: Signed, sealed, delivered

In de echte wereld is ‘blind’ tekenen van contracten aan de orde van de dag. We gaan er nadat is getekend graag vanuit dat ieder woord is gelezen en begrepen door degene die het heeft getekend. Maar dat kan niet anders dan een illusie zijn. In het bedrijfsleven zijn er adviseurs om contracten te beoordelen en te duiden voordat die ondertekend worden. In een privésituatie is dat anders, daar teken je mogelijk ‘blind’ maar in goed vertrouwen op degene die het contract heeft voorbereid. Als je het achteraf niet met het contract eens bent betekent dat uiteraard niet dat je niet aan het contract zou zijn gebonden. “Dan had je het maar beter moeten lezen”, nietwaar? Maar levert het ‘blind’ tekenen van een contract ook mogelijke strafrechtelijke verwijtbaarheid op? Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wees over dit vraagstuk recent een mooi arrest.

In deze zaak is de betrokkene verdacht van het valselijk opmaken van twee koopovereenkomsten van woningen, waarin te lage verkoopprijzen zijn opgenomen. In plaats van de werkelijke verkoopprijs van respectievelijk € 210.000 en € 600.000 is op de overeenkomsten respectievelijk € 150.000 en € 500.000 opgenomen. Ook is hij verdacht van het gebruik maken van deze valse documenten. In eerste aanleg is de betrokkene veroordeeld tot een werkstraf van 80 uur.

In hoger beroep is aangevoerd dat het tenlastegelegde niet bewezen kan worden verklaard, omdat de verdachte erop vertrouwde dat de koopovereenkomsten in orde waren en ze ‘blind’ heeft getekend. De verdachte heeft thuis in het gesprek aan de keukentafel de te lage koopsommen in de overeenkomsten niet opgemerkt. Hij heeft het getekend, mede vanwege de jarenlange vriendschappelijke betrekkingen met de verkopende familie. Hij heeft al pratende aan de keukentafel getekend en vertrouwde op de expertise van zijn eigen vader die goed bevriend is met de betrokken familie.

Het hof overweegt dat als uitgangspunt geldt dat iemand pas overgaat tot het paraferen en ondertekenen van een koopovereenkomst van onroerend goed, nadat hij kennis heeft genomen van (in ieder geval) de in die koopovereenkomst opgenomen koopsom, aangezien de koopsom als een cruciaal onderdeel van een dergelijke overeenkomst moet worden beschouwd. Het hof stelt zich wel de vraag of de lezing van verdachte, dat hij op het moment van tekenen niet op de hoogte was van de te lage koopsommen, aannemelijk is geworden.

Daarbij leidt het hof uit het dossier het volgende af: “(…) de plannen tot verkoop en aankoop van de betreffende woningen en appartementen zijn geïnitieerd, opgezet en inhoudelijk zijn vormgegeven door [vader verdachte] en [betrokkene 1] . [vader verdachte] en [betrokkene 1] waren beiden ervaren in de handel in vastgoed. Zij waren in het verleden zakenpartners. [vader verdachte] wilde verdachte (zijn zoon) op weg helpen met vastgoed en [betrokkene 1] wilde zijn onroerend goed van de hand doen. De koopovereenkomsten met te lage koopsombedragen zijn op verzoek en in opdracht van [betrokkene 1] door diens vaste notaris opgesteld.”

Het hof bevestigt dat aannemelijk is geworden dat de verdachte op het moment van tekenen niet op de hoogte was van de te lage koopsommen. Het hof oordeelt op basis van alle omstandigheden dat “niet [is] komen vast te staan dat verdachte – in deze gegeven bijzondere omstandigheden – op het moment van parafering en ondertekening van de koopovereenkomsten op de hoogte was van de hierin te laag opgenomen koopsommen.” Het hof acht het voor een veroordeling vereiste opzet op valsheid van de overeenkomsten dan ook niet wettig en overtuigend bewezen.

 In dit geval verwachtte het Openbaar Ministerie wellicht dat het bewijs met de inhoud van het contract al was geleverd. Gelukkig waren de verdediging en het hof alerter dan dat. Ons inziens heeft het hof de beschikbare bewijsmiddelen heel zuiver beoordeeld en is het tot een terechte vrijspraak gekomen. Uiteraard biedt dit arrest geen garantie op een vrijspraak in ieder geval van ‘blind’ tekenen van contracten. Het is en blijft afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de zaak en het bewijs dat het Openbaar Ministerie levert.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

#401: De integriteit van de rechtsstaat staat op het spel

Waar gaat het naar toe met de rechtsstaat? Dat is de vraag die bij ons opkomt bij het lezen van het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020. De Hoge Raad geeft in dit arrest een overzicht van de arresten die als leidend gelden voor de toepassing van artikel 359a Sv en ziet aanleiding de precieze formulering van enkele daarin opgenomen maatstaven te nuanceren of bij te stellen. Een bekend spoorboekje met enkele nuances, maar dat toch een vervelende nasmaak krijgt.

Artikel 359a Sv biedt een mechanisme dat indien politie en justitie zich niet aan de strafvorderlijke regels houden daar gevolgen aan kunnen worden verbonden. Strafvermindering, bewijsuitsluiting en in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, behoren tot de mogelijkheden. Helaas blijft het veelal bij een constatering van het verzuim, zonder consequenties. In diverse Vaklunches, zoals #346, #320 of #304 hebben wij onze zorgen geuit over het feit dat dit meer vormverzuimen in de hand werkt. De Hoge Raad draagt daar nu zijn steentje aan bij.

De nuanceringen die de Hoge Raad aanbrengt op de eerdere rechtspraak zien in de eerste plaats op de bestaande beperking tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte. De Hoge Raad verduidelijkt dat het niet alleen gaat om handelingen of vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, maar dat het ook kan gaan om een vormverzuim of onrechtmatige handeling die van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit.

In de tweede plaats gaat de Hoge Raad in op de toepassingsvoorwaarden voor de rechtsgevolgen strafvermindering, bewijsuitsluiting respectievelijk niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Het toetsingskader wordt met name verduidelijkt op punten. Tot slot maakt de Hoge Raad enkele opmerkingen over de beoordeling van de feitelijke grondslag van verweren die strekken tot toepassing van artikel 359a Sv. Het gaat de omvang van deze Vaklunch te buiten om de nuanceringen te bespreken.

Waar wij wel graag aandacht aan willen besteden is het oordeel van de Hoge Raad dat het niet de taak en verantwoordelijkheid van de strafrechter is, de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De strafrechter moet zich aldus met name bezig houden met de vraag of de verdachte het gedaan heeft. Deze houding werkt ons inziens misstanden in de hand. Conform de machtenscheiding van Montesquieu dienen de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht elkaar te controleren. Echter onze rechter controleert kennelijk alleen of de burger zich houdt aan het Wetboek van Strafrecht. Of de uitvoerende macht zich daarbij houdt aan het Wetboek van Strafvordering is duidelijk van ondergeschikt belang. Slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen daar consequenties aan worden verbonden.

Welke middelen hebben wij als burger dan wel om ervoor te zorgen dat politie en justitie zich integer gedragen? Wij kunnen een klacht indienen of aangifte doen. Als je het ons vraagt wordt het zo van kwaad tot erger. Het Wetboek van Strafrecht en Strafvordering zijn dusdanig met elkaar verbonden dat een schending van de wet door de overheid wel degelijk gevolgen zou moeten hebben voor een strafzaak van de verdachte. Dat beoogt het systeem van checks and balances ook zodat de rechtsprekende macht toezicht houdt op de uitvoerende macht. De rechter zou juist moeten instaan voor de integriteit van het justitiële systeem als een geheel. Een gemiste kans om recht te doen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

 

#400: Afpakken via een shortcut

‘Afpakken’ staat al jarenlang hoog op de agenda bij het Openbaar Ministerie. Het afnemen van objecten die mogelijk afkomstig zijn uit misdrijf kan onder de huidige wetgeving nadat een verdachte is veroordeeld. Dat kan in de vorm van ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, maar ook kunnen voorwerpen verbeurd worden verklaard. Dat betekent overigens niet dat het Openbaar Ministerie tot dat moment de voorwerpen met rust laat. In de regel wordt ruim beslag gelegd op bankrekeningen en voorwerpen, welk beslag vervolgens vaak jarenlang – tot er een onherroepelijke uitspraak is – blijft gehandhaafd. Toch wil de Minister van Justitie nog meer mogelijkheden om vermogen af te pakken dan die er al zijn en waar we in Vaklunch #240 over schreven.

De Minister van Justitie wil dat het mogelijk wordt voorwerpen te confisqueren zonder dat iemand wordt veroordeeld. De procedure is gericht tegen het voorwerp zelf; niet op een persoon. Het gaat dan om de Non Conviction Based Confiscation (NCBC). Het voorstel speelt in op de behoefte die daartoe volgens de minister bestaat, teneinde effectiever en sneller te kunnen optreden. Het gaat dan om situaties waarin, in of buiten het kader van een opsporingsonderzoek, objecten worden aangetroffen ten aanzien waarvan het aannemelijk is dat die door misdrijf zijn verkregen zonder dat kan worden bewezen dat een verdachte een concreet strafbaar feit heeft gepleegd. Het gaat dan om voorwerpen met een kennelijke criminele oorsprong maar ook om voorwerpen die het resultaat zijn van herinvestering van opbrengsten van misdrijven.

Het wetsvoorstel wordt uitgewerkt en het concept wordt in het voorjaar verwacht. Wat de exacte reikwijdte van het voorstel zal zijn is dus nog niet duidelijk. Maar de minister licht al wel een tipje van de sluier op:

“Met het oog op de rechtsbescherming zal worden voorzien in een verplichting voor de overheid als initiërende partij tot het informeren van de betrokkene of anderszins rechthebbende(n) over de procedure en tot het verrichten van de nodige naspeuringen indien de betrokkene of anderszins rechthebbende(n) onbekend is. In beginsel draagt de overheid de bewijslast van de stelling dat het aannemelijk is dat het voorwerp in verband staat met strafbare feiten. Als daartoe aangewezen overheidsinstantie erin in slaagt dit aannemelijk te maken, dan kan de betrokkene die daartegen verweer wil voeren, niet volstaan met een verweer dat niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk is. Een gemotiveerde aanspraak van de overheid zal gemotiveerd moeten worden betwist.”

 Daarmee lijkt dit voorstel een lagere bewijslast voor het Openbaar Ministerie in te houden dan artikel 6 EVRM voorschrijft in het geval van verdenking van een persoon. De rechthebbenden van voorwerpen worden geconfronteerd met een zwaardere bewijslast dan via het zogenaamde ‘witwasstappenplan’, waar van de verdachte van witwassen van een onbekend gronddelict een verklaring over de herkomst van het vermogen wordt verlangd. Die verklaring moet concreet en verifieerbaar zijn en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk, zoals ook is beschreven in Vaklunch #355. Via deze nieuwe route lijkt het Openbaar Ministerie het zichzelf makkelijk te maken en wordt de bewijslast voor de rechthebbende van het voorwerp verhoogd om de legitieme herkomst aan te tonen. Het is niet moeilijk voorstelbaar dat het Openbaar Ministerie – vanwege de snelheid en beperkte bewijslast – een dergelijk afpakmiddel vaak zal (willen) inzetten.

Met name op dit punt van rechtsbescherming zal kritisch naar het wetsvoorstel moeten worden gekeken. Voorkomen moet worden dat het al te gemakkelijk wordt om voorwerpen af te nemen en de rechtsbescherming een wassen neus wordt. Het Openbaar Ministerie heeft het immers ook niet altijd bij het rechte eind.  Daarnaast zou het middel ook kunnen leiden tot het omzeilen van een witwasonderzoek naar een persoon, waar de bewijsdrempel voor het Openbaar Ministerie hoger lijkt te zullen liggen. Als het middel van de confiscatie zonder veroordeling al mogelijk zou worden, dan dienen ons inziens ook strikte eisen te worden gesteld aan de situaties waarin het middel mag worden ingezet.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

#399: Fiscale ontneming

Artikel 74 Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) bepaalt dat geen ontnemingsvordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafvordering kan worden ingesteld in geval van een veroordeling op grond van de AWR. Het idee achter deze bepaling is dat belastingheffing is voorbehouden aan de Belastingdienst en niet aan het Openbaar Ministerie. Dit maakt het voor het Openbaar Ministerie aanlokkelijk om commune delicten te vervolgen in plaats van fiscale delicten. Een recent arrest van de Hoge Raad stimuleert deze werkwijze. Lees verder

#398: Een wijze les

Met de inzet van het strafrecht moet prudent worden omgegaan. Dit uitgangspunt zullen alle betrokken partijen – het Openbaar Ministerie, de verdediging, de rechterlijke macht – beamen. Dit is niet voor niets. De inzet van het strafrecht kan grote gevolgen hebben voor de verdachten. Zeker indien berichtgeving over een strafrechtelijke verdenking de media bereikt. Hoewel het Openbaar Ministerie niet blij zal zijn met een vrijspraak in een zaak waarin hoog van de toren is geblazen over hoe verwijtbaar de verdachte wel niet heeft gehandeld, zijn het de betrokken verdachten die de effecten van die situatie dagelijks voelen. De NS-zaak die breed is uitgemeten in de pers maakt dat pijnlijk duidelijk. Het Openbaar Ministerie trekt het hoger beroep in de strafzaak in. Daarmee kunnen de betrokkenen dit hoofdstuk afsluiten. Maar de schade van de jarenlange druk van deze verdenking zal niet meer ongedaan kunnen worden gemaakt.Lees verder

#397: Criminele cryptomunten?

Regelmatig koppen de kranten over witwasonderzoeken in relatie tot cryptovaluta. Ook de jurisprudentie hierover komt flink op gang. In diverse vonnissen is reeds geoordeeld over bitcoins en andere cryptovaluta en de criminele herkomst daarvan. Zo oordeelde Rechtbank Midden-Nederland in 2017 dat op darknet markets vrijwel uitsluitend in illegale goederen wordt gehandeld en dat op die markets een betaling in bitcoins is vereist. Op grond daarvan gaat de rechtbank ervan uit dat nagenoeg alle bitcoins die van darknet markets afkomstig zijn, een criminele herkomst hebben. Rechtbank Rotterdam oordeelde in 2019 dat het een feit van algemene bekendheid is dat bitcoins dikwijls worden gebruikt in het criminele circuit. Rechtbanken gaan er dus vrij snel vanuit dat bitcoins een illegale herkomst hebben. Het recente onderzoek Basset, dat onlangs ook leidde tot een vonnis van de Rechtbank Rotterdam, toont opnieuw aan dat een relatie wordt gelegd tussen bitcoins en criminaliteit.Lees verder

#396: De ‘eigen’ waarneming

Uit het Wetboek van Strafvordering volgt dat het bewijs de kern van ons strafvorderlijk stelsel vormt: zonder bewijs geen veroordeling. Artikel 339, lid 1, Sv somt de wettige bewijsmiddelen op. Naast verklaringen van de verdachte, de getuige of de deskundige en schriftelijke bescheiden is dat ook de eigen waarneming van de rechter. Maar is nog sprake van eigen waarneming van de rechter indien de waarneming door een andere rechter is gedaan? Deze vraag heeft de Hoge Raad beantwoord in het arrest van 27 oktober 2020.Lees verder

#395: Een veranderd landschap

De afgelopen periode waren er kritische geluiden op transacties die het Openbaar Ministerie is aangegaan: men mist een rechterlijke toetsing. De minister van Veiligheid en Justitie heeft aangekondigd hier een wettelijke regeling voor te zullen opstellen. Vooruitlopend op de wettelijke regeling heeft het College van procureurs-generaal in afstemming met de minister besloten een aangepaste aanwijzing voor hoge transacties uit te vaardigen. Dit blijkt uit een brief van de minister van 29 juni 2020.  Op 4 september 2020 is de Aanwijzing hoge transacties in werking getreden. Welke veranderingen brengt deze aanwijzing voor de praktijk? Levert deze aanwijzing een ander transactielandschap op? Lees verder