#443: Wie de witwasbal kaatst…

Witwasonderzoeken komen in vele soorten en maten. Eén variant die in onze praktijk regelmatig de revue passeert, is die waarin het Openbaar Ministerie geen onderzoek heeft gedaan naar een gronddelict. Onder officieren is deze variant met name populair wanneer de verdenking van witwassen ziet op geld dat (vermoedelijk) zijn oorsprong heeft in het buitenland. In een vonnis van 14 september 2021 bevestigt rechtbank Rotterdam dat de officier van justitie nader onderzoek dient te verrichten naar de verklaring van de verdachte over de herkomst van het geld, zelfs indien de officier van justitie aanloopt tegen de grenzen van de internationale rechtshulp.

In Vaklunch #419 en Vaklunch #411 schreven wij al over de onderzoeksplicht van het Openbaar Ministerie bij een verdenking van witwassen met een onbekend gronddelict. Uit de jurisprudentie volgt dat indien de feiten en omstandigheden van dien aard zijn dat zonder meer sprake is van een vermoeden van witwassen, van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft over de herkomst van het vermogen. Die verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Indien de verdachte zo’n verklaring geeft, zal de officier van justitie die verklaring moeten verifiëren, zodat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het vermogen een legale herkomst heeft.

Het vonnis van rechtbank Rotterdam volgt het hiervoor omschreven stappenplan. In deze zaak stond een verdachte terecht voor drie witwasfeiten, zowel in eigen persoon als in zijn hoedanigheid van feitelijk leidinggevende van een stichting en een bedrijf. Kortgezegd betroffen de eerste twee witwasfeiten het verbergen of verhullen van de herkomst van een bedrag van € 1.150.000 en € 1.096.500, dan wel het voorhanden hebben daarvan. Het derde witwasfeit betrof het voorhanden hebben van een geldbedrag van € 16.000.

Uit het vonnis blijken de volgende witwasindicatoren. Het bedrag van € 1.150.000 werd namens de stichting via de kwaliteitsrekening van een notaris aangewend voor de aankoop van een pand (een te ontwikkelen Islamitische school). Daarvoor werd geen hypotheek afgesloten. Het bedrag van € 1.096.500 werd vanaf de rekening van het bedrijf aangewend voor de verbouwing van datzelfde pand. Uit onderzoek van de FIOD was gebleken dat verdachte de rekening van het bedrijf had gevuld met diverse contante stortingen, soms meerdere malen per dag. Met het bedrag van € 16.000 kocht verdachte een auto aan namens het bedrijf. Deze aankoop vond contant plaats met € 500-biljetten. Op basis van deze feiten en omstandigheden stelde rechtbank Rotterdam vast dat de geldbedragen van € 1.150.000, € 1.096.500 en € 16.000 mogelijk ‘uit enig misdrijf’ afkomstig waren.

De verdachte heeft kortgezegd verklaard dat de stichting contante gelden had ontvangen van diverse geldverstrekkers, die uit religieuze overwegingen een deel van hun inkomen doneerden aan de stichting. Deze donateurs stuurden hun donaties via koeriers naar Nederland, zodat het bij aankomst contant op een rekening kon worden gestort. Een en ander was nauwelijks gedocumenteerd, want de donaties werden op goed vertrouwen gedaan. Niettemin verstrekte de verdediging ter onderbouwing van de verklaring de namen en contactgegevens van de geldverstrekkers en geldkoeriers. In sommige gevallen werden zelfs kopieën van identiteitsbewijzen verstrekt. Daaruit bleek dat de geldverstrekkers en geldkoeriers afkomstig waren uit landen buiten Europa, waaronder Koeweit. Met deze landen heeft Nederland geen ontwikkelde rechtshulprelatie. De officier van justitie meende daarom de verklaring niet te kunnen verifiëren en concludeerde dat het geld geen andere herkomst kon hebben ‘dan een illegale’.

In lijn met eerdere jurisprudentie en geheel terecht, zet rechtbank Rotterdam in zijn vonnis van 14 september 2021 een streep door deze redenering. Zodra een verklaring omtrent de herkomst van het geld ‘tegenwicht’ biedt aan een witwasvermoeden, ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar de alternatieve herkomst van het geld. In voornoemde zaak had verdachte aan die eis voldaan. Daarmee speelde hij de bal terug naar de officier van justitie. Die kan zich dan niet verschuilen achter de grenzen van de opsporingsbevoegdheden. De officier die zich beroept op het witwasstappenplan en de bal kaatst, moet hem dus terug kunnen verwachten. Gelet op artikel 6 EVRM is dat wat ons betreft zeer terecht.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie