#447: Melden om het melden

Een recordaantal meldingen van ongebruikelijke transacties, zo blijkt uit een recent artikel op NOS.nl. Daarin wordt vermeld dat de Financial Intelligence Unit (FIU) tot november 2021 al meer meldingen van ongebruikelijke transacties heeft ontvangen dan in heel 2020. De verwachting is dat het aantal meldingen dit jaar boven de miljoen zal zijn. Maar wat is het effect van zoveel meldingen? Of zijn banken vooral aan het melden om het melden?

In Vaklunch #350 en #334 schreven wij al over de steeds verdergaande anti-witwaswetgeving en daarmee verbonden meldplicht voor banken. Die is gebaseerd op de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (hierna: de Wwft). Op grond van de Wwft dienen onder andere financiële ondernemingen, waaronder dus banken, ongebruikelijke transacties te melden.

Voor banken betekent deze meldplicht dat zij alle transacties die via hun diensten lopen moeten monitoren. Inmiddels nemen banken die plicht ook serieus. In de afgelopen jaren zijn ruim 12.000 mensen opgeleid die zich bezighouden met alleen de Wwft-verplichtingen. Het is een arbeidsmarkt op zich. Wij leiden daaruit af dat de schikkingen met ABN Amro en ING een duidelijke signaalfunctie hebben gehad. In het met de ABN Amro-schikking samenhangende feitenrelaas (zie hierover ook Vaklunch #340) schrijft het OM dan ook dat het monitoren van transacties van cliënten een belangrijk middel is om ongebruikelijke transacties te identificeren. Dus melden zal je.

Maar ondanks deze inspanningen van de banken blijkt uit het jaarverslag van de FIU over 2020 dat van de ruim 700.000 gemelde ongebruikelijke transacties, ‘slechts’ ruim 100.000 daadwerkelijk door de FIU verdacht werden bevonden. Dat leidde uiteindelijk tot ‘slechts’ 20.000 strafdossiers. De Nederlandse Vereniging voor Banken wijdt dat aan een capaciteitsprobleem bij de FIU. Maar wat ons betreft tonen deze cijfers aan dat óf de bepalingen in de Wwft veel te ruim zijn, of dat instellingen – waaronder banken – vooral melden om het melden.

Hoewel het gelet op de recente schikkingen zeer begrijpelijk is dat financiële ondernemingen hun meldplicht scherp in het vizier houden, leidt de huidige meldpraktijk allerminst tot effectieve handhaving. Bovendien heeft dit weer direct effect op de verdedigingsrechten.

In de eerste plaats worden wij in onze praktijk regelmatig geconfronteerd met opsporingsonderzoeken die zijn gebaseerd op FIU-meldingen van enkele jaren oud. Dit tijdsverloop bemoeilijkt de waarheidsvinding, omdat het voor opsporingsinstanties en de verdediging steeds lastiger wordt om feiten uit een ver verleden te reconstrueren.

In de tweede plaats ontstaat het beeld dat de overheid willekeurig omgaat met het starten van een strafrechtelijk onderzoek. Dit roept bij cliënten – terecht – de vraag op waarom de ene Wwft-melding wel wordt opgepakt, en de andere niet.

In de derde plaats zien wij dat banken in het kader van hun Wwft-verplichtingen vaak verregaande vragen stellen, die er in het slechtste geval toe leiden dat de bank de relatie met de klant opzegt. Dit heeft grote gevolgen voor cliënten. Terwijl het dus nog maar de vraag is of die Wwft-melding uiteindelijk door de FIU als ‘verdacht’ wordt bestempeld. Ook dit is nauwelijks aan cliënten uit te leggen.

Deze drie voorbeelden laten zien dat in het huidige Wwft-beleid de rechten van verdachte cliënten verder onder druk komen te staan. Tijd om daar eens de aandacht op te vestigen!

Heb je vragen over of wil je van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

#230: Het niet-melders project gewobd

Op 24 maart 2017 is door het Fiscaal up to Date via een Wob-verzoek om openbaarmaking van documenten gevraagd met betrekking tot het ‘niet-melders’ project. Door het Ministerie van Veiligheid en Justitie is een overzicht gemaakt van de stukken die hierop betrekking hebben. Van deze stukken is een deel openbaar gemaakt en deel niet. De reden daarvoor is dat het deels om stukken gaat waarin persoonlijke beleidsopvattingen van ambtenaren en intern beraad is vervat. Tevens zou openbaarmaking van een deel van de gegevens de opsporing en vervolging schaden of de vertrouwelijke communicatielijn tussen het Openbaar Ministerie en het Ministerie van Veiligheid en Justitie. De overige stukken zijn – al dan niet geanonimiseerd – openbaar gemaakt. Wat leren deze stukken ons?LEES VERDER

Loading new posts...
No more posts