#661: Geen nadeel voor ‘s Rijks schatkist, geen vergrijpboete

Op 20 februari 2026 heeft de Hoge Raad een belangwekkend arrest gewezen over de vergrijpboete van artikel 67f AWR in btw-zaken met een grensoverschrijdend fraude-element. Centraal staat de vraag of aan een Nederlandse ondernemer een vergrijpboete kan worden opgelegd wanneer hem, vanwege zijn betrokkenheid bij btw-fraude in een andere lidstaat, het nultarief wordt geweigerd, terwijl zijn opzet niet was gericht op het ontgaan van in Nederland verschuldigde omzetbelasting.

LEES VERDER

#650: Deepfakes van personen: nieuwe strafbaarstellingen op komst

Gedurende de laatste maand van 2025 is er een wetsvoorstel in consultatie waarmee het recht wordt vastgelegd voor natuurlijke personen en hun nabestaanden om het vervaardigen, gebruiken en verspreiden van deepfakes te verbieden. De wetgever vermeldt in de concept-memorie van toelichting als aanleiding voor dit wetsvoorstel dat het huidige Nederlandse en Europees recht onvoldoende bescherming biedt tegen ‘ongeoorloofd gebruik van deepfakes’. De wetgever vindt het huidige wettelijk kader onvoldoende duidelijk, onvoldoende samenhangend en onvoldoende kenbaar voor burgers.

Het nieuwe wetsvoorstel ziet op een uitbreiding van de Wet op de naburige rechten. Deze wet kent op dit moment naast civiele bepalingen ook strafbepalingen. Zo staat er bijvoorbeeld een strafmaximum van een half jaar gevangenis op het opzettelijk wederrechtelijk wijzigen van de uitvoering van een act van een artiest. De wetgever is van plan om de strafbaarstellingen in deze wet uit te breiden naar het ‘inbreukmakend gebruik van deepfakes’. Uit de concept-memorie van toelichting bij dit wetsvoorstel volgt dat de wetgever van plan is om het opzettelijk vervaardigen en verspreiden van deepfakes zonder toestemming van de betrokkene expliciet strafbaar te stellen. Waar de huidige wet nog met name artiesten en kunstenaars beoogt te beschermen, zien de nieuwe strafbaarstellingen op deepfakes van ‘personen’ in algemene zin.

Er zijn in het bijzonder bij de strafbaarstelling van het ‘verspreiden’ van deepfakes onzes inziens kritische kanttekeningen te plaatsen. Gelet op de voorgestelde wettekst wordt onder ‘verspreiden’ niet alleen verstaan het verkopen, verhuren, uitlenen of afleveren, maar ook het ‘anderszins in het verkeer brengen’. Hiermee is niet uitgesloten dat reeds het enkele doorsturen van een deepfake via bijvoorbeeld een smartphone al strafbaar wordt gesteld. Hoewel de wetgever duidelijk maakt dat opzet vereist is bij de strafbaarstellingen, blijkt niet uit de concept-memorie van toelichting of de concept-wettekst waar dit opzet op ziet. Gaat het om opzet op het verspreiden of moet er ook opzet zijn op het gegeven dat het gaat om een deepfake? Indien het opzet alleen ziet op het verspreiden, zou ook het doorsturen van een filmpje door iemand die op dat moment niet weet dat het om een deepfake gaat onder de strafbaarstelling vallen. In het kader van rechtszekerheid is het van belang dat hier duidelijkheid over komt, zeker aangezien deepfakes steeds moeilijker van echt te onderscheiden zijn.

In de concept-memorie van toelichting staat verder dat het gebruik van deepfakes voor ‘satire’ onder bepaalde voorwaarden wél toegestaan blijft. Een van deze voorwaarden is dat moet worden voldaan aan de transparantieverplichting zoals neergelegd in de AI-verordening (dit houdt in dat telkens bij een deepfake vermeld moet worden dat het gaat om een deepfake). De wetgever meent dat het vervaardigen of verspreiden van een deepfake niet onder het verbod dient te vallen indien het gaat om een ‘karikatuur, parodie of pastiche, mits het gebruik in overeenstemming is met hetgeen naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd is’.

Ook bij deze uitzondering voor gevallen waarbij sprake is van satire zijn wat ons betreft kritische kanttekeningen te plaatsen. Wij zien risico’s in de rechtszekerheid voor burgers met betrekking tot het criterium dat satire ‘naar de regels van het maatschappelijk verkeer redelijkerwijs geoorloofd’ moet zijn. Onzes inziens dreigt dit criterium gebreken in duidelijkheid en kenbaarheid voor burgers met zich mee te brengen, terwijl met dit wetsvoorstel juist wordt beoogd om dergelijke hiaten in de huidige wetgeving op te lossen. Want hoe gaat voor burgers op voorhand het onderscheid duidelijk zijn tussen het maken of delen van een verboden deepfake en een deepfake die valt onder de uitzondering voor satire? En moeten strafrechters dan zometeen gaan bepalen of een deepfake al dan niet kwalificeert als satire? Op basis van de gepubliceerde rechtspraak zijn vooralsnog geen gevallen bekend waarin het Openbaar Ministerie iemand heeft vervolgd voor overtreding van de Wet op de naburige rechten. We weten dus niet hoe strafrechters tot op heden (zouden) omgaan met de uitzondering op het verbod voor satire. Hieraan valt dus geen houvast te ontlenen met het oog op de uitbreiding van de strafbaarstellingen voor deepfakes.

Gelet op de wens van de wetgever om meer duidelijkheid en kenbaarheid voor burgers te scheppen is er wat ons betreft nog werk aan de winkel. Wij zien de ontwikkelingen op dit vlak met belangstelling tegemoet.

Heb je hier vragen over of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met ons op via [email protected].

#641: Lange slagen, snel thuis?

In een recente conclusie gaat advocaat-generaal Van Kempen in op de toerekening van strafbare gedragingen aan rechtspersonen en op de vraag onder welke omstandigheden het opzet van rechtspersonen op deze strafbare gedragingen kan worden vastgesteld. De advocaat-generaal beoordeelde de motivering van het hof in een zaak waarin verschillende uitzendbureaus verdacht werden van het opzettelijk niet doen van de vereiste belastingaangiftes en daarnaast indienen van foutieve nihilaangiftes. De advocaat-generaal legt hierbij de bewijslast onzes inziens te laag.

LEES VERDER

#640: Van gezinsportemonnee tot witwasdossier

De recente conclusie van de advocaat-generaal Sinnige in de zaak ECLI:NL:PHR:2025:1006 zet de discussie over de grenzen van het bewijs van witwassen op scherp. In deze zaak werd een vrouw veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen, omdat zij samen met haar echtgenoot grote hoeveelheden contant geld stortte en uitgaf. De advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad om het cassatieberoep te verwerpen en sluit zich aan bij de redenering van het hof dat de omvang en frequentie van de contante geldstromen, in combinatie met het ontbreken van een legale herkomst, geen andere conclusie toelaat dan dat het geld uit misdrijf afkomstig was en de vrouw hiervan op de hoogte was.

LEES VERDER

#564: Een sfeerloos vonnis

Een medewerker van een supermarkt doet een greep in de kassa, met alle gevolgen van dien. Is de supermarkt dan strafrechtelijk aansprakelijk? Onder omstandigheden wel, maar de toerekening op basis van de Drijfmest-criteria gaat niet altijd goed. Dat blijkt uit een recent vonnis van rechtbank Rotterdam.

LEES VERDER

#522: Be green or die trying

Environmental Social Governance (ESG) is niet meer weg te denken uit het bedrijfsleven. Hoewel wij Europeesrechtelijke verankering van diverse ESG-wetgeving toejuichen, hebben wij onze bedenkingen over de in de media geuite geluiden om ESG-verplichtingen te handhaven via het Nederlandse strafrecht.

LEES VERDER

#487: Schot op eigen (goede) doel

Wie goede doelen steunt, wordt beloond. De Algemene Wet inzake Rijksbelastingen bevat namelijk de mogelijkheid om giften aan algemeen nut beogende instellingen (zogenaamde ANBI’s) af te trekken van de aangifte inkomstenbelasting. Deze week was hier in het nieuws aandacht voor in het kader van een “opmerkelijke belastingconstructie”: aftrekbare donaties aan een door de donateur zelf opgerichte ANBI. In een onderzoeksrapport dat afgelopen mei werd gepubliceerd, werd geconstateerd dat de kans op fraude met dit soort constructies aanzienlijk is. Is die zorg terecht?LEES VERDER

#484: Sorry, you’re not invited

Meestal levert de boodschap dat je niet bent uitgenodigd een negatieve connotatie op. In de fiscaliteit ligt dat anders. Dat geldt zeker voor fiscale strafzaken op grond van artikel 69 AWR, waarin bewijs moet worden geleverd voor het bestanddeel “bij belastingwet voorziene aangifte”. Ontbreekt dat bewijs? Dan volgt vrijspraak. Zo ook in een recente douanestrafzaak van hof Den Bosch tegen een voormalig aandeelhouder van een vennootschap.LEES VERDER

#483: Waar rook is, is niet altijd vuur

Toen de belastinginspecteur in 2009 de mogelijkheid kreeg om naast plegers van beboetbare feiten ook fiscale boetes op te leggen aan zogenaamde deelnemers, zoals de medepleger, zorgde dat voor onrust onder belastingadviseurs. Zij werden aanvankelijk gerustgesteld in de vakliteratuur: gelet op de jurisprudentie rondom het (voorwaardelijk) opzet zou het allemaal zo’n vaart niet lopen. En daarnaast werd als waarborg het vereiste van toestemming voor beboeting van de top van Financiën ingevoerd (par. 2.6 BBBB). De jurisprudentie liet tot dat moment echter maar al te vaak zien dat de minimumbewijsregels voor het voorwaardelijk opzet niet goed werden toegepast door opsporingsautoriteiten en de fiscus (zie Vaklunch #62). Inmiddels zijn we ruim tien jaar verder. Waren de sussende woorden (on)terecht?LEES VERDER

#481: Een brief van de inspecteur

In fiscale fraudezaken lopen de strafrechtelijke procedure en de fiscale procedure vaak naast elkaar. De procedures kennen doorgaans een zekere overlap; als initieel het juiste bedrag aan belasting is geheven, impliceert dat ook dat er geen onjuiste aangifte is gedaan. Het ligt in de rede dat de strafrechter voor de beoordeling van dergelijke fiscaalinhoudelijke vraagstukken rekening houdt met de fiscale procedure. Dit blijkt ook uit een recent arrest van het hof Den Bosch.LEES VERDER

Loading new posts...
No more posts