#321: Regels zijn regels

De verdachte kan op basis van artikel 279 Sv een raadsman machtigen namens hem ter zitting te verschijnen. Voorts voorziet artikel 450 Sv in de mogelijkheid dat dat een rechtsmiddel ook kan worden aangewend door tussenkomst van een advocaat. Daarbij dienen een aantal eisen in acht te worden genomen. Zo dient de advocaat onder meer expliciet te verklaren dat hij bepaaldelijk is gevolmachtigd. Dat deze eis van cruciaal belang is, blijkt onder meer uit het arrest van 3 april 2019 van Hof Den Bosch.Lees verder

#320: Failed parenting?

Dat er in strafrechtelijke onderzoeken nogal eens iets mis gaat is alom bekend. Vormverzuimen staan in menig strafzaak daarom hoog op de agenda van de verdediging. Artikel 359a Sv biedt een mechanisme dat moet waarborgen dat politie en justitie zich aan de strafvorderlijke regels houden. Als dat niet gebeurt, kunnen daar gevolgen aan worden verbonden door de strafrechter. Strafvermindering, bewijsuitsluiting en – in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie –, behoren tot de mogelijkheden. Helaas blijft het veelal bij een constatering van het verzuim, zonder consequenties. Deze milde consequenties doen voorkomen dat vormverzuimen niet erg zijn en dat strafvorderlijke regels met een korrel zout mogen worden genomen. Werkt dat meer vormverzuimen in de hand?Lees verder

#319: Koude uitsluiting ≠ verhaalsfrustratie

Meerdere keren hebben wij onze frustratie geuit over hoe makkelijk in Nederland conservatoir beslag wordt gelegd door het Openbaar Ministerie. Voorbeelden zijn terug te vinden in Vaklunch #185 en #260. De gevolgen van een beslag kunnen immers enorm groot zijn, in het ergste geval overleeft een bedrijf het niet. Tegen het beslag kan een klaagschrift ex artikel 552a Sv worden ingediend. Hoewel de toetsing slechts marginaal is liggen er nog altijd kansen en mogelijkheden om succesvol te klagen over het beslag. Om die reden brengen wij graag een beschikking van de rechtbank Amsterdam onder de aandacht waarbij het klaagschrift gegrond is verklaard.Lees verder

#318: Invordering bij onherroepelijke boete?

De rechtsbescherming in het bestuursrecht is beperkter ingericht dan in het strafrecht. Zeker als het aankomt op het gebied van invordering van bestuurlijke boetes. De Afdeling advisering van de Raad van State gaf hierover in 2015 al eens een advies aan de regering. Een van de onderwerpen die aan de orde komt in het advies is het ontbreken van schorsende werking van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. Waar in het strafrecht een rechtsmiddel de executie van een straf in beginsel opschort, is dat in het bestuursrecht niet het geval. Gaat dat dan alsnog veranderen?Lees verder

#317: Geen redelijke vervolgingsbeslissing

Wanneer dient een zaak vervolgd te worden? Deze vraag moet in beginsel beantwoord worden door het Openbaar Ministerie. De rechter kan ingrijpen als de vervolgingsbeslissing in strijd is met de beginsel van een goede procesorde. De toets van de Hoge Raad om een streep door een vervolgingsbeslissing te zetten is wel streng. In Vaklunch #245 schreven wij over een zaak waar het Openbaar Ministerie volgens het Hof in strijd met het vertrouwensbeginsel had gehandeld. De Hoge Raad oordeelde echter dat een onjuiste juridische toets was aangelegd om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. In een recente uitspraak van de rechtbank Rotterdam is het penbaar Ministerie ook niet-ontvankelijk verklaard. Kan deze uitspraak de toets van de Hoge Raad doorstaan?

In het arrest van 2 juli 2013 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het Openbaar Ministerie niet ontvankelijk mag worden verklaard in verband met een onterechte vervolging indien ‘geen redelijk handelend lid van het OM heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kon zijn, zodat sprake zou zijn van een zodanige, aperte onevenredigheid van de vervolgingsbeslissing dat de (verdere) vervolging onverenigbaar is met het verbod van willekeur’. Dit is aldus de juridische maatstaf die aangelegd moet worden.

De rechtbank in Rotterdam heeft op 15 april 2019 het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard wegens een schending van het verbod van willekeur. De zaak lag als volgt. Op 25 oktober 2011 heeft een doorzoeking plaatsgevonden bij het advocatenkantoor waar de verdachte werkzaam was. De betreffende advocaat werd verdacht van ernstige strafbare feiten waaronder deelname aan een criminele organisatie met een aantal cliënten, mensensmokkel, valsheid in geschrift, oplichting en witwassen. De organisatie zou daarmee zo een 29 miljoen euro hebben verdiend.

De rechtbank gaat eerst in op de doorzoeking die heeft plaatsgevonden. Hoewel de raadkamer op 24 juni 2014 had besloten dat de waarheidsvinding moest prevaleren boven het verschoningsrecht van de advocaat trekt de rechtbank dit nu in twijfel. De rechtbank oordeelt namelijk dat niet uit het onderzoek is gebleken van enige betrokkenheid van de verdachte bij de vermeende criminele organisatie. In de concept tenlastelegging staat dat een verdenking bestaat van de culpoze variant van mensensmokkel. Voorts gaat de officier van justitie er echter (ook) vanuit dat de verdachte door de medeverdachte is bedrogen. De rechtbank acht het gelet op de rol van de verdachte hoogst onwaarschijnlijk dat het verschoningsrecht voor een doorzoeking ter inbeslagneming kon worden doorbroken.

Verder oordeelt de rechtbank dat de feitelijke rol van de verdachte beperkt is, ook de officier van justitie gaat niet meer uit van wetenschap van de verdachte bij de valse stukken. Daarbij oordeelt de rechtbank dat de mogelijke reputatieschade enorm is, het om feiten gaat die twaalf jaar geleden hebben plaatsgevonden, de mogelijkheden van onderzoek daardoor zijn beperkt en de verdachte ook al tuchtrechtelijk is aangepakt.

 Op basis daarvan komt de rechtbank tot het uiteindelijke oordeel dat sprake is van een uitzonderlijk geval waarin geen redelijk handelend lid van het Openbaar Ministerie heeft kunnen oordelen dat met (voortzetting van) de vervolging enig door strafrechtelijke handhaving beschermd belang gediend kan zijn. Daarmee voldoet de uitspraak aldus aan het juridische criterium. Wij juichen deze belangenafweging van de rechtbank Rotterdam enorm toe. Het strafrecht moet ingezet worden als optimum remedium, waarbij een redelijke belangenafweging gemaakt dient te worden. Als de vervolging meer schade toebrengt dan redelijk is, dan dient het Openbaar Ministerie dit in de belangenafweging mee te nemen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

#316: Practise what you preach

De laatste jaren is de wijze waarop verdediging wordt gevoerd in strafzaken behoorlijk veranderd. Het aloude adagium ‘beroep je op je zwijgrecht’ is allang niet meer het gebruikelijke advies. Dat concludeerden wij ook in Vaklunch #84. Doordat meer waarde wordt gehecht aan het verhaal van de verdachte, wordt de verdediging vaak anders ingericht. De aanpak van de verdediging is in die zin gemoderniseerd. En hoewel de modernisering van het wetboek van Strafvordering bij de wetgever al jaren op de agenda staat, lijkt het Openbaar Ministerie achter te blijven in die modernisering. Het Openbaar Ministerie verlangt van verdachten transparant te zijn, maar heeft die werkwijze zichzelf niet eigen gemaakt. Althans, nog niet.Lees verder

#315: Another one bites the dust

In Vaklunch #227  schreven wij over de vrijspraak van oud Achmea bestuurder. In Vaklunch #251  schreven wij over het NS-debacles van het Openbaar Ministerie en sinds vorige week kan het Openbaar Ministerie nog twee debacles op het lijstje bijschrijven. Op donderdag  is Klaas Hummel volledig vrijgesproken door de rechtbank in Amsterdam en op vrijdag  is de voormalig KPMG-topman met medeverdachten volledig vrijgesproken. Alle vier de uitspraken gaan in belangrijke mate over het strafbare feit; valsheid in geschrifte. Wat kunnen wij leren van deze uitspraken?Lees verder

#314: Het strafrechtelijk beroepsverbod

Op basis van artikel 28 Wetboek van Strafrecht kan een beroepsverbod als bijkomende straf worden uitgesproken. Dat is een pittige straf. In de wetsgeschiedenis is daarom ook niets voor niets omschreven dat een beroepsverbod is bedoeld als een zware sanctie en dat het daarom niet lichtvaardig mag worden opgelegd. Met andere woorden, alleen als het ‘echt bont is gemaakt’ komt een dergelijke straf aan de orde. Maar wanneer heeft een verdachte het nu echt te bont gemaakt?Lees verder

#313: De werkelijkheid

“De werkelijkheid is slechts een illusie, zij het een heel hardnekkige.” Albert Einstein

Ondanks dat het bestaan van de waarheid of de werkelijkheid door vele filosofen, natuurkundigen en anderen in twijfel wordt getrokken, houden juristen graag vast aan wetten en juridische werkelijkheden. De grootste discussie over de juridische werkelijkheid ontstaat in het strafrecht vaak bij het delict valsheid in geschrifte. Van een intellectuele valsheid is namelijk sprake als de inhoud van een geschrift niet overeenstemt met de werkelijkheid. De rechter dient dan te toetsen wat die werkelijkheid is. In een conclusie van Advocaat-Generaal Hofstee van 12 maart 2019 is deze discussie aan de orde.

De zaak lag als volgt. Schippers die minerale oliën vervoeren verduisteren een deel van hun vracht en verkopen dit deel van hun lading aan de verdachte. De verdachte haalt samen met zijn vader deze lading op met een tankauto. Vervolgens wordt deze olie voor een gunstige prijs verkocht aan bedrijven. Daarvoor worden facturen opgemaakt. Deze facturen worden opgemaakt uit naam van twee bedrijven, te weten Wolles en Bos. Het Hof overweegt dat deze facturen vals zijn omdat deze bedrijven klaarblijkelijk zijn opgericht of gebruikt opdat de verdachte en zijn vader zich kunnen voordoen als bonafide verkopers, verbonden aan bedrijven die niet direct tot hen herleidbaar zijn.

De indiener van het middel stelt echter dat van een werkelijke leverancier en/of verkoper van de geleverde minerale olie sprake is en dat derhalve de intellectuele valsheid ten aanzien van de facturen ontbreekt. De Advocaat-Generaal wuift dit argument weg door aan te geven dat uit de bewijsvoering blijkt dat Wolles is opgericht om te doen voorkomen dat dit bedrijf de echte eigenaar was van de minerale olie en dat het bedrijf is dat deze olie legaal, met factuur en al, verkoopt aan afnemers, terwijl in werkelijkheid de olie is verduisterd en door de verdachte en zijn vader wordt geleverd. Hiertoe verwijst de Advocaat-Generaal naar de in bewijsmiddel 99 opgenomen verklaring van een medeverdachte die verklaart dat hij is overgehaald om een bedrijf te starten, hij heeft de olie nooit in bezit gehad, “de zoon” – de verdachte dus, AG – verkoopt de olie, etc. Daarmee verwerpt de Advocaat-Generaal het middel.

Wij vragen ons echter af of het oordeel van het Hof en van de advocaat-generaal juist is. Er wordt een vennootschap opgericht door A. Deze vennootschap verkoopt oliën aan derden en maakt hiervoor facturen op. Deze derden maken het geld ook over aan deze vennootschap. Hoewel de het arrest dit in het midden laat, kunnen wij ons voorstellen dat deze vennootschap ook belasting betaalt. Uit de verklaring van de medeverdachte kan worden opgemaakt dat deze vennootschap handelde voor een ander maar de olie nooit in haar bezit heeft gehad. Een tussenvennootschap aldus. De vraag is of deze werkwijze de facturen vals maakt? Maakt het verwerpelijke motief voor het oprichten van deze vennootschap nu dat deze vennootschap de oliën niet heeft verkocht?

Deze situatie doet ons denken aan de NS-zaak waarover wij schreven in Vaklunch #251. De rechtbank overwoog in deze zaak expliciet dat verwerpelijke motieven voor een juridische constructie nog niet betekent dat deze juridische werkelijkheid niet zou bestaan. Ook in deze zaak kan je je afvragen of juridisch gezien deze vennootschap de olie heeft verkocht. Het feit dat de betreffende vennootschap wellicht niet de feitelijke beschikkingsmacht over het goed heeft gehad betekent op voorhand nog niet dat zij het goed niet heeft verkocht. Ons inziens schiet de motivering van het Hof dus wel degelijk tekort. Het enkele feit dat de vennootschap is opgericht met een onheus motief betekent ons inziens niet dat zij niet de juridische levering heeft verricht. Uit de overweging van het Hof volgt ons inziens dus niet dat de facturen in strijd zijn met de juridische werkelijkheid. Dit doet uiteraard niet af aan de strafbare feiten die voordien hebben plaatsgevonden. Het is dus de vraag of het Openbaar Ministerie de ‘juiste’ strafbare feiten heeft vervolgd.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

#312: Uit een ander vaatje getapt

Tegen een advocaat die niet in het belang van zijn cliënt handelt kan een tuchtklacht worden ingediend bij de deken van de Orde van Advocaten. Voor officieren van justitie geldt dergelijk tuchtrecht niet. Wel kan worden geklaagd over het gedrag van een officier van justitie bij de Nationale ombudsman. De advocaten van Johan van Laarhoven hebben deze weg bewandeld. En met succes. De Nationale ombudsman heeft zich kritisch uitgelaten over het handelen van het Openbaar Ministerie deze specifieke zaak geuit in het rapport van 11 maart 2019.Lees verder