#472: De civiele rechter over een behoorlijke strafrechtspleging

In het civiele recht komen geregeld strafrechtelijke vraagstukken aan de orde. Zo zal niemand zijn ontgaan dat recent een civiele kort geding rechter een beslissing heeft genomen over de interpretatie van het Wetboek van Strafvordering aangaande het verschoningsrecht. Of hoe rechtbank Amsterdam Sywert van Lienden schorste uit het stichtingsbestuur op verzoek van het Openbaar Ministerie. Op 20 april 2022 kwam een andere interessante rechtsvraag aan de orde bij de civiele rechter, namelijk of een strafrechtelijke transactie zoals bedoeld in artikel 74 Sr kan worden vernietigd op basis van bedrog of dwaling. Dit op grond van de artikelen 3:44, tweede lid, en 6:222 van het Burgerlijk Wetboek (BW).LEES VERDER

#459 In het verleden behaalde resultaten…

…bieden geen garantie voor de toekomst. Dit ondervonden de betrokkenen uit de zaken waarover hof Den Haag op 27 januari 2022 besliste aan den lijve (zie ECLI:NL:GHDHA:2022:57 en ECLI:NL:GHDHA:2022:58). Het Openbaar Ministerie werd in eerste aanleg nog door rechtbank Rotterdam niet-ontvankelijk verklaard omdat het onderzoek waarop het was gebaseerd niet voldoende onafhankelijk was. Het hof draaide dat (deels) terug. Wat maakte dan dat het onderzoek nu toch deugde en wat betekent dit voor de fraudepraktijk?LEES VERDER

#450: Creativiteit leidt tot efficiëntie

Al langer klinkt de roep om de mogelijkheid speciale proces- en vonnisafspraken te kunnen maken tussen justitie en verdediging. Op die manier kunnen sommige strafzaken efficiënter worden afgerond met een acceptabele uitkomst voor beide partijen. Het Openbaar Ministerie kan snel en kordaat een voorbeeld stellen en de verdachte weet eerder waar hij of zij aan toe is en hem/haar blijft een jarenlang voortslepend onderzoek bespaard. Even leek de rechtbank in Overijssel een streep te hebben gezet door de mogelijkheid om straftoemetingsafspraken te maken. Gelukkig is dit door de rechtbank Rotterdam nieuw leven ingeblazen. LEES VERDER

#449: Daar wordt aan de deur geklopt

Dieuwertje Blok hield het land vorige week zoals elk jaar weer flink in spanning of er dit jaar wel op de deur geklopt zal gaan worden. Heel Nederland kent de uitdrukking en de gedachte hieraan stemt de meesten ongetwijfeld vrolijk; het is de opmars naar de feestdagen. Maar dat geldt niet voor degenen die ooit te maken hebben gehad met aankloppende opsporingsautoriteiten zoals de FIOD. De gevolgen van zo’n inval zijn in de praktijk – ook als er niets aan de hand bleek te zijn – niet te onderschatten. LEES VERDER

#415: Paal en perk aan witwasvervolgingen

In Vaklunch #161 schreven wij al over de inkeerbepaling van artikel 69, lid 3 AWR. Deze staat in de weg aan strafvervolging op grond van artikel 69, lid 1 en lid 2 AWR indien de belastingplichtige alsnog de juiste en volledige aangifte doet vóórdat hij redelijkerwijs moet vermoeden dat men hem op het spoor is. Toch komt het in de praktijk voor dat het Openbaar Ministerie na een succesvolle inkeermelding kiest voor strafrechtelijke vervolging voor witwassen. Bijvoorbeeld door een onderzoek te starten naar witwassen met een zogenaamd ongeïdentificeerd gronddelict. Daarmee wordt de blokkade van een onderzoek naar belastingfraude als gronddelict omzeild. Gerechtshof Den Bosch maakt daar in een interessant arrest korte metten mee.LEES VERDER

#194: Knevelarij door het Openbaar Ministerie

De praktijk van een advocaat staat bol van wonderlijke situaties. Niet in de laatste plaats de praktijk van de strafrechtadvocaat. Wie denkt dat de natuurlijke vijand van de strafrechtadvocaat – het Openbaar Ministerie – altijd ‘volgens het boekje werkt’, heeft het mis. Onder omstandigheden krijgt het Openbaar Ministerie een reprimande van de rechter als het Openbaar Ministerie het te bont heeft gemaakt. Echter de tendens is dat de verdachte niet mag ‘profiteren’ van de fouten gemaakt door het Openbaar Ministerie. Die regel prikkelt het Openbaar Ministerie en het gehele opsporingsapparaat ons inziens te weinig om zelfkritisch te zijn. Het regent vormverzuimen zonder dat deze op enigerlei wijze worden bestraft. Als advocaat kijk je dus bijna nergens meer van op. Toch hebben wij ons weer verwonderd over de gang van zaken die aan de orde kwam in de uitspraak van Rechtbank Overijssel vorige week; geen vormverzuim maar pure knevelarij.LEES VERDER

#151: Rechtmatig beïnvloeden?

De zogenaamde ‘tipgeversaffaire’ blijft de aandacht trekken. Op 11 november 2014 heeft het Hof Arnhem-Leeuwarden aangifte gedaan tegen een aantal leden van het Ministerie van Financiën omdat zij getuigen zouden hebben geïnstrueerd geen verklaring af te leggen in de ‘tipgeversaffaire’ terwijl die getuigen daartoe in de ogen van het hof wel verplicht waren. Inmiddels heeft de Hoge Raad zich over die vraag uitgelaten. De Hoge Raad heeft op 18 december 2015 geoordeeld dat een inspecteur niet kan worden gedwongen om informatie prijs te geven die een inspecteur in diezelfde procedure niet wil verstrekken. Hof Arnhem-Leeuwarden heeft op 29 januari 2016 in een persbericht laten weten dat het geen prijs meer stelt op de vervolging van de personen waartegen het hof aangifte heeft gedaan in verband met de beslissing van de Hoge Raad. Dit persbericht roept bij ons de nodige vragen op.LEES VERDER

#135: Een friendly reminder van de Hoge Raad

In artikel #119 besteedden wij al aandacht aan de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 AWR. Dit artikel bepaalt dat – indien een delict kan worden gekwalificeerd als bedoeld in artikel 69, eerste en tweede lid, AWR – de verdachte niet (ook) mag worden vervolgd voor valsheid in geschrifte als bedoeld in artikel 225, tweede lid, Sr. Wij signaleerden toen dat dergelijke vervolgingen in de praktijk niettemin met enige regelmaat voor blijken te komen. De omgekeerde situatie – vervolgen voor een fiscaal delict terwijl (wellicht) sprake is van artikel 225 Sr – doet zich echter ook voor. Dit blijkt uit een arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2015.LEES VERDER

#100: Double jeopardy

In artikelen #067 en #093 schreven wij reeds over het una via beginsel. Dit beginsel houdt zoveel in dat geen bestuurlijke boete kan worden opgelegd indien tegen de betrokkene wegens dezelfde gedraging een strafvervolging is ingesteld en het onderzoek ter zitting is aangevangen. Hetgeen is vastgelegd in artikel 5:44 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 243, lid 2, Wetboek van Strafvordering (Sv) houdt in dat indien aan de betrokkene een bestuurlijke boete is opgelegd dit dezelfde rechtsgevolgen heeft als een kennisgeving van niet verdere vervolging als dit gaat om dezelfde feiten. Zodra een bestuurlijke boete is opgelegd of een strafrechtelijke vervolging is aangevangen is het zogenaamde ‘point of no return’ bereikt. Indien men de bestuursrechtelijke weg inslaat, wordt de strafrechtelijke weg afgesloten en vice versa.

In de praktijk komt het nog wel eens voor dat een inspecteur een aanslag met boete oplegt in een zaak die ook voor strafrechtelijke vervolging in aanmerking komt. Wellicht gebeurt dat na gedegen overleg tussen de fiscale en strafrechtelijke autoriteiten, of wellicht juist wegens het ontbreken daarvan. Niettemin komt het voor dat later alsnog een strafrechtelijke vervolging volgt. Hoewel dit in theorie niet zou moeten kunnen, blijkt de kracht van het una via beginsel in de praktijk niet altijd even sterk. Voor de uitleg van dit beginsel kan worden teruggegrepen op het ne bis in idem beginsel. Dit beginsel schrift voor dat niemand tweemaal voor hetzelfde feit mag worden bestraft. In de nationale wet is dit in artikel 68 Wetboek van Strafrecht (Sr) vastgelegd.

Dat ook het ne bis in idem beginsel niet zonder meer wordt nageleefd blijkt maar weer eens uit het recente arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 27 januari 2015. De Finse betrokkene in die zaak, Pavel Vladimirovic Rinas, ontving in 2005 belastingaanslagen met boeten voor de jaren 1999, 2000, 2002, 2003 en 2004. De grondslag voor de correcties en de boeten was de ontvangst van verkapt dividend van buitenlandse vennootschappen. Het tegen deze aanslagen en boeten ingestelde beroep was niet succesvol. Op 13 september 2012 werden deze aanslagen en boeten onherroepelijk. Maar dit was niet het enige. In 2005 werd ook nog een strafrechtelijk onderzoek gestart naar de heer Rinas in verband met belastingfraude. Op 31 mei 2012 werd de strafrechtelijke veroordeling voor de jaren 2002, 2003 en 2004 onherroepelijk. Voor de jaren 1999 en 2000 werd hij vrijgesproken, omdat de aanslagen voor die jaren onherroepelijk vaststonden voordat de strafzaak was begonnen.

Maar hoe zit het dan voor de jaren 2002, 2003 en 2004? Kunnen de bestuurlijke boete én de strafrechtelijke veroordeling voor dezelfde feiten in deze jaren naast elkaar bestaan? Ons inziens is dat in strijd met het ne bis in idem beginsel. Rinas liet het er gelukkig niet bij zitten en heeft de zaak voorgelegd aan het EHRM. Het EHRM heeft de vraag of de procedure over de boeten en de strafrechtelijke procedure allebei ‘criminal in nature’ waren bevestigend beantwoord. Het doel van de boeten conform Fins recht was niet bedoeld om schade te herstellen, maar om recidive te voorkomen. Derhalve is de boete als punitief aan te merken. Verder heeft het EHRM vastgesteld dat zowel de bestuurlijke boeten als de strafrechtelijke vervolging zien op dezelfde feiten voor zover het over de jaren 2002, 2003 en 2004 gaat. Voor deze jaren is aldus aan het ‘idem’ criterium voldaan. Voor de jaren 1999 en 2000 geldt dat het ne bis in idem beginsel is nageleefd en de strafrechtelijke vervolging is gestaakt voor die jaren omdat de boeten voor die jaren reeds definitief waren. De procedures zijn definitief geëindigd op respectievelijk 31 mei 2012 en 13 september 2012. Tot slot heeft het EHRM geoordeeld dat sprake was van twee afzonderlijke procedures, waardoor is voldaan aan het ‘bis’ criterium.

Het Hof concludeert dat ‘when the tax fraud proceedings became final on 31 May 2012, the applicant’s appeal against the tax surcharge decisions was still pending before the Supreme Administrative Court. As the proceedings before the Supreme Administrative Court were not discontinued after the tax fraud proceedings became final but were continued until a final decision on 13 September 2012, the applicant was convicted twice for the same matter concerning the tax years 2002 to 2004 in two sets of proceedings which became final on 31 May 2012 and on 13 September 2012 respectively.’

Ons inziens is dit de enige juiste beslissing. Uiteraard zijn wij ons ervan bewust dat de uitspraak ziet op artikel 4 van het 7e Protocol van het EVRM dat Nederland niet heeft geratificeerd. Niettemin biedt ook dit arrest ondersteuning voor verweer tegen dubbele bestraffing in ons nationale recht.

Wat is jouw ervaring? Worden het una via beginsel en het ne bis in idem beginsel (voldoende) gerespecteerd?

#088: Officier, hoeveel belang hecht u aan de zaak?

In het strafrecht geldt dat een zaak binnen een redelijke termijn moet worden afgedaan. Het is een misvatting dat een strafzaak in een paar maanden wordt afgerond. Het drukbezette rechterlijke systeem en opsporingsapparaat maakt dat men eerder aan jaren moet denken dan aan maanden. Met de bezuinigingen binnen de overheid zal dat niet snel veranderen. Een veelgehoorde klacht van verdachten – die begrijpelijkerwijs graag snel duidelijkheid willen hebben en de strafzaak achter zich wensen te laten – is dat het zo lang duurt. Een officier van justitie is niet altijd gemakkelijk te prikkelen de zaak op korte termijn te behandelen. Overigens is dat vermoedelijk veelal te wijten aan de enorme hoeveelheid werk en de beperkte mankracht om dat werk te verzetten. Toch levert dit tijdsverloop bijzonder frustrerende situaties op voor de betrokkenen die onderwerp zijn van een strafrechtelijke procedure. De procedure brengt onzekerheid met zich en kan bijvoorbeeld gevolgen hebben voor het werkzame en sociale leven van de verdachte. Met name indien de zaak onnodig veel tijd in beslag neemt is het de vraag welk belang dan moet prevaleren. Dat van de maatschappij of van de verdachte die nog altijd onschuldig is tot het tegendeel is bewezen? Is het niet beter minder zaken te vervolgen en de geselecteerde zaken zorgvuldiger en sneller te behandelen?

Het ziet er naar uit dat rechters in Nederland het Openbaar Ministerie een halt toe roepen. Hoewel de Hoge Raad heeft geoordeeld dat overschrijding van de redelijke termijn niet tot niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie kan leiden maar tot strafvermindering, gaf Rechtbank Midden-Nederland het Openbaar Ministerie in het vonnis van 3 oktober 2014  toch een ontvankelijkheidstik op de vingers. In deze ontnemingszaak is in 2008 bij (tussen)beslissing bepaald dat de behandeling voor onbepaalde tijd is geschorst nu onvoldoende duidelijk was de benadeelde partij een civiele vordering aanhangig zou maken. Sindsdien is echter niets meer gebeurd. Ook aan het herhaaldelijk verzoek vanuit de rechtbank een compleet dossier beschikbaar te stellen werd door het Openbaar Ministerie niet voldaan. Tevens ontbrak de originele ontnemingsvordering in het dossier. Het verweer van het Openbaar Ministerie dat de redelijke termijn op ontnemingszaken niet van toepassing is kon dit fiasco niet redden. De rechtbank oordeelde dat de mogelijkheden voor het voeren van een adequate verdediging aan de zijde van de veroordeelde – door het tijdsverloop en het overlijden van de medeveroordeelde – zijn verminderd.

Ook Hof Amsterdam heeft opgetreden tegen de onzorgvuldigheid van het Openbaar Ministerie in het arrest van 23 september 2014. Het pleegjaar in deze zaak was 2006, daarop wees de politierechter vonnis in oktober 2009 waartegen hoger beroep is ingesteld. De zaak diende sindsdien drie keer bij het Hof, de zaak werd twee maal nietig verklaard en de zaak is één keer aangehouden omdat het Openbaar Ministerie de verdachte (per abuis?) steeds niet had opgeroepen op het bekende adres. Het Hof heeft uit die omstandigheden afgeleid dat het Openbaar Ministerie geen belang meer hechtte aan de vervolging van de verdachte en heeft het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard.

Ons inziens terechte tikken op de vingers. Maar het is zeker niet eind goed al goed, want dergelijke situaties komen vaker dan eens voor. Wat vindt het Openbaar Ministerie hier zelf van? En hoe serieus worden deze gevallen genomen binnen het Openbaar Ministerie? Wie wordt erop aangesproken en wie legt verantwoording hierover af?

Wat is jullie ervaring met dit soort kwesties? Grijpen rechters in indien het Openbaar Ministerie het (te) bont maakt?

Loading new posts...
No more posts