#459 In het verleden behaalde resultaten…

…bieden geen garantie voor de toekomst. Dit ondervonden de betrokkenen uit de zaken waarover hof Den Haag op 27 januari 2022 besliste aan den lijve (zie ECLI:NL:GHDHA:2022:57 en ECLI:NL:GHDHA:2022:58). Het Openbaar Ministerie werd in eerste aanleg nog door rechtbank Rotterdam niet-ontvankelijk verklaard omdat het onderzoek waarop het was gebaseerd niet voldoende onafhankelijk was. Het hof draaide dat (deels) terug. Wat maakte dan dat het onderzoek nu toch deugde en wat betekent dit voor de fraudepraktijk?LEES VERDER

#435: Spreken is zilver, schrijven is goud

Als gevolg van de coronacrisis is het schriftelijk verhoor  aan een opmars begonnen. Om fysiek contact te beperken, worden in bepaalde gevallen de vragen van opsporingsambtenaren op schrift aan de verdachte gesteld in plaats van in een verhoorkamer op het politiebureau. Wat ons betreft is dit een tendens die verdere navolging verdient, zeker in fraudezaken, waarin de toegevoegde waarde van een fysiek verhoor altijd al beperkt was.LEES VERDER

#424: Een rechtsstatelijke tik op de vingers

In het strafrecht is men dagelijks bezig met het reconstrueren van feiten ten behoeve van de waarheidsvinding. Deze reconstructies zijn echter afhankelijk van het beschikbare bewijsmateriaal, interpretaties van stukken, de wijze waarop getuigen zijn gehoord, percepties en gezichtsvelden; om maar een aantal voorbeelden te noemen. Dé waarheid bestaat niet en zeker niet in het strafrecht. Toch is het streven een zo goed mogelijke reconstructie te maken van hetgeen is voorgevallen. Hiervoor is het op zijn minst nodig dat opsporingsinstanties niet op zoek gaan naar het bewijs tegen ‘de dader’ maar zo onbevooroordeeld mogelijk de feiten in kaart brengen. Gebeurt dit niet dan komt de integriteit van het strafproces in het gedrang. De rechtbank Rotterdam onderkent dit ook.LEES VERDER

#152: Bijstand tijdens het politieverhoor

Vlak voor het kerstreces wees de Hoge Raad een interessant arrest over de raadsman bij het politieverhoor. Wij besteedden in vaklunch #145 al aandacht aan deze zaak waarin de Hoge Raad overweegt voortaan ervan uit te gaan dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie, behoudens bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken. De Hoge Raad gaat ervan uit dat met ingang van 1 maart 2016 toepassing zal worden gegeven aan de regel dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie. Bij de bepaling van die datum is op dit punt rekening gehouden met de Europese Richtlijn die in november geïmplementeerd dient te zijn. De Hoge Raad neemt aan dat de eerder gesignaleerde beleidsmatige, organisatorische en financiële keuzes derhalve inmiddels zijn gemaakt.LEES VERDER

#145: Een nieuwjaarsboodschap van de Hoge Raad?

Zo vlak voor het kerstreces wijst de Hoge Raad op 22 december 2015 een 81 RO arrest. Maar het is wel een arrest met een duidelijke boodschap. De Hoge Raad gaat ervan uit dat met ingang van 1 maart 2016 toepassing zal worden gegeven aan de regel dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie. Wat ging aan dit arrest vooraf?LEES VERDER

#139: Pragmatisme versus de wet

Het is in de praktijk inmiddels bijna standaard dat de rechter-commissaris aan de verdediging en de officier van justitie, voorafgaand aan een getuigenverhoor, verzoekt een lijst met vragen aan de getuige toe te sturen. De redenen hiervoor zijn met name praktisch van aard. Zo weet de rechter-commissaris immers welke vragen aan de orde zullen komen. Veelal wordt verzocht om een Word-bestand waarin de vragen staan genoteerd zodat de griffier alvast de vragen kan copy-pasten in het proces-verbaal. Ook kan de rechter-commissaris op die manier een tijdsplanning maken en bekijken of de vragen relevant zijn. Deze praktijk wordt ook bevestigd door een arrest van de Hoge Raad van 1 september 2015. Maar (dit) pragmatisme staat gelukkig niet boven de wet.LEES VERDER

#138: Vergeten is menselijk

Een verdachten- en getuigenverhoor zijn misschien wel de meest tot de verbeelding sprekende onderdelen van het strafproces. In menig film en TV serie wordt de spanning opgevoerd met scènes waarin een verdachte of een getuige stevig aan de tand wordt gevoeld door de rechercheur die het mysterie moet oplossen of door de schurk die staatsgeheime informatie probeert los te peuteren. En als het niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks. De verhoortechnieken van Jack Bauer (24), John Luther (Luther) en Le Chiffre (Casino Royale) trekken volle zalen, maar zijn niet representatief voor onze dagelijkse praktijk. De verhoren in ons strafproces gaan er een stuk ‘geciviliseerder’ aan toe. Toch is de betrouwbaarheid van een verklaring ook in ons rechtssysteem geen gegeven. Dat zal in ieder geval steeds weer moeten worden afgewogen.LEES VERDER

#097: Pulp Fiction?

Op de wijze van verbaliseren van verdachten- en getuigenverhoren is het nodige aan te merken. Dit is op zichzelf niets nieuws. Niettemin bevestigen de bevindingen van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) en de Universiteit Leiden dat processen-verbaal van de politie bijzonder beperkt worden weergegeven en laten zien hoe ernstig het is gesteld met de processen-verbaal. Voor dit onderzoek zijn 55 verdachtenverhoren bij de politie geanalyseerd. Deze verhoren zijn ook audiovisueel vastgelegd om te verifiëren welke informatie wel en welke informatie niet in het proces-verbaal terecht is gekomen. Geconcludeerd is dat de hoofdvragen van een verhoor meestal wél worden weergegeven, meer specifiek 63%(!) ervan. Van de vervolgvragen en de antwoorden die zijn gegeven wordt slechts een kwart opgenomen in het proces-verbaal. Kan het huidige proces-verbaal van een verhoor nog wel bijdragen aan de waarheidsvinding in strafzaken? Zijn de processen-verbaal überhaupt als een weergave van de waarheid aan te merken of is het niet meer dan fictie?LEES VERDER

#090: Bestaan sprookjes dan toch?

Het recht op een raadsman bij het politieverhoor; als we de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mensen mogen geloven bestaat het echt. Ook de richtlijn die in oktober 2013 is aangenomen door de Europese Unie en de conclusie van Taru Spronken van 26 november 2013 doen geloven dat dit recht bestaat. Toch lijkt dit recht in Nederland een jaar na dato nog altijd een sprookje te zijn. Onder meer in week 49 van vorig jaar besteedden wij aandacht aan de ontwikkeling van dit recht, ingezet door de zogenaamde Salduz jurisprudentie die het recht op een raadsman voorafgaand aan het verhoor stevig op de kaart zette. Niettemin blijkt dat het recht op consultatie voorafgaand aan het verhoor ook nog de nodige aandacht behoeft. Het is aan advocatuurlijk Nederland om de opsporende instanties en de rechterlijke macht op deze Europese wetgeving en jurisprudentie te blijven wijzen en hen te blijven prikkelen die rechten te gaan waarborgen.

Hoewel het recht op een advocaat tijdens het verhoor in Nederland nog niet zonder meer geldt, is een vergelijk met het consultatierecht voorafgaand aan het verhoor en de mogelijkheid daar afstand van te doen gemakkelijk gemaakt. De verdachte kan afstand doen van zijn consultatierecht door dit uitdrukkelijk of stilzwijgend en in elk geval ondubbelzinnig kenbaar te maken daarvan afstand te doen. Maar wat betekent dit? Immers is niet iedere verdachte zich bewust van de implicaties van het doen van afstand van die rechten en doet daarvan dan vrij gemakkelijk afstand. Niet in de laatste plaats omdat zij bang zijn om kosten te maken. Hoewel menig verdachte denkt zijn rechten te kennen, blijkt in veel gevallen dat een verdachte achteraf toch graag bijstand van een advocaat had gehad zodra hijdaar fatsoenlijk over wordt geïnformeerd. Maar is het niet aan de opsporende instanties om die verdachte goed te informeren en hem er bijvoorbeeld op te wijzen dat hij recht heeft op een advocaat die onder omstandigheden wordt betaald door de overheid?

De Hoge Raad heeft onlangs geoordeeld dat niet iedere wijze van afstand doen van het recht op een advocaat afdoende is. In die zaak richtte het middel van het Openbaar Ministerie zich tegen het oordeel van het Hof dat de enkele mededeling van de verdachte dat hij ‘zijn rechten kent’ niet kan worden gekwalificeerd als het uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend, doch in elk geval ondubbelzinnig afstand doen van zijn recht om voorafgaand aan het verhoor een advocaat te raadplegen. In die zaak is bij aanvang van het verhoor aan de verdachte medegedeeld waarvan hij werd verdacht en dat hij niet tot antwoorden verplicht was. Het volgende werd gezegd:

V: Is het duidelijk dat je niet hoeft te antwoorden op onze vragen en waarover wij je wensen te horen?

A: Ja.

V: Dit eerste verhoor daar zit je advocaat niet bij heb je daar problemen mee?

A: Nee hoor ik ken mijn rechten.

V: Wil je een verklaring afleggen?

A: Ik kijk eerst wel wat jullie op tafel leggen.

De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk is. Het Hof heeft geoordeeld dat uit bovengenoemde verklaring van de verdachte er niet zonder meer vanuit mag worden gegaan dat de verdachte zijn rechten ook echt kent. En gelukkig maar, anders zou het consultatierecht van de verdachte gemakkelijk tot een ‘wassen neus’ verworden. Het enige pluspuntje aan dit verhoor is dat de opsporingsinstanties in ieder geval een werkelijke weergave van de verklaring van de verdachte hebben weergegeven. Niet zelden komt het voor dat een zakelijke weergave wordt gegeven van de verklaring van de verdachte waarin staat dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht om een advocaat te consulteren. Op die manier is het moeilijk om te achterhalen wat er daadwerkelijk is gebeurd en zal het veelal het woord van de verdachte tegenover het woord van de verbalisant zijn.

Wij menen dat het wenselijk is dat de opsporende instanties verdachten duidelijker wijzen op hun rechten en een waarheidsgetrouwe weergave wordt opgesteld van de zogenaamde afstandsverklaring zodat dit te controleren is. Wat vind jij? En wat is jouw ervaring met dit soort kwesties?

#084: Is zwijgen goud?

Over een van de meest fundamentele rechten van de verdachte in een strafrechtelijk onderzoek is het laatste woord nog niet gezegd of geschreven; het zwijgrecht. Iedere strafrechtadvocaat heeft er dagelijks mee te maken en voor veel van hun cliënten blijkt het een worsteling er al dan niet gebruik van te maken. Want is het niet beter ‘gewoon’ uit te leggen hoe het zit? En is het niet juist verdacht om niet te antwoorden op vragen van de opsporingsautoriteiten? En zorgt het gebruik maken van het zwijgrecht niet juist ervoor dat ik word veroordeeld? Deze vragen zijn niet altijd gemakkelijk te beantwoorden voor de betrokken advocaat. In het ene geval kan ‘gewoon’ worden uitgelegd dat de verdenking op een misverstand berust en wordt naar aanleiding daarvan het strafrechtelijk onderzoek gestaakt, maar in het andere geval leidt die uitleg tot minder rooskleurige scenario’s en wordt de verklaring van de verdachte verkeerd uitgelegd. In veel gevallen zal een strafrechtadvocaat zijn cliënt adviseren zich te beroepen op zijn zwijgrecht, in ieder geval tot bekend is waar de verdenking van de cliënt precies op is gebaseerd. Eerst dan kan zorgvuldig worden beslist of wel of niet op de vragen van de opsporingsautoriteiten wordt geantwoord dan wel een schriftelijke verklaring wordt overgelegd. Wat de uiteindelijke verdenking ook is, de verdachte behoudt altijd het recht om te zwijgen. Toch blijkt het geen sinecure om een verdachte ervan te overtuigen dat spreken zilver is maar zwijgen goud. Een terechte twijfel van de verdachte?

Die twijfel lijkt in voorkomende gevallen terecht. Zo gebruikte Hof Amsterdam in een arrest van december 2012 het gegeven dat de verdachte geen antwoord had gegeven op de hem gestelde vraag als bewijs voor het ten laste gelegde. Het Hof heeft bewezen verklaard dat de verdachte een auto voorhanden heeft gehad terwijl hij wist dat het – onmiddellijk of middelijk – afkomstig was uit enig misdrijf. De bewezenverklaring daarvan steunde  onder meer op de volgende passage uit het proces-verbaal van verhoor: ”(…) Vraag: we hebben je auto – een Audi kenteken [AA-00-AA] – in beslag genomen. Hoe kom je aan dit waardevolle goed? Antwoord: Ik wil daar geen antwoord op geven.” Het Hof heeft ten aanzien van de bewezenverklaring verder overwogen dat de verdachte heeft verklaard de auto met € 15.000 geleend geld te hebben gekocht. De lening zou in de administratie van degene die het verstrekt zou hebben echter niet bekend zijn. Het Hof heeft verder overwogen dat de auto € 12.225 waard was ten tijde van de aankoop, maar dat in de periode van de aankoop bij de Belastingdienst geen gegevens van de verdachte bekend waren. Het Hof gaat er derhalve vanuit dat de verdachte in die periode geen legale inkomsten heeft gehad. De sloopwerkzaamheden of de klusjes die de verdachte af en toe zou hebben uitgevoerd zijn niet nader geconcretiseerd, zodat volgens het Hof niet aannemelijk is geworden dat de verdachte voldoende financiële middelen had om de auto te kopen. Het Hof komt tot de conclusie dat het niet anders kan zijn dan dat de auto is verkregen uit enig misdrijf.

Tegen dit arrest is de verdachte succesvol in cassatie gegaan. Dat de keuze om van het zwijgrecht gebruik te maken niet kan dienen als bewijs heeft de Hoge Raad nog eens glashelder gemaakt. De Hoge Raad herhaalt de rechtsregel zoals gegeven in HR 3 juni 1997 (NJ 1997/584). De omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden kan op zichzelf, mede gelet op artikel 29 eerste lid Sv, niet aan het bewijs bijdragen. Het zwijgen van de verdachte mag in de overwegingen over het bewijsmateriaal worden betrokken indien de verdachte voor een omstandigheid, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht, geen redelijke verklaring heeft gegeven. De bewezenverklaring van het Hof in deze zaak is volgens de Hoge Raad in strijd met deze rechtsregel waardoor de bewezenverklaring onvoldoende met redenen is omkleed. Daarmee volgt de Hoge Raad de conclusie van A-G Spronken. Het is aan het verwijzingshof om een oordeel over deze zaak te geven.

Dat het gebruik maken van het zwijgrecht as such niet als bewijsmiddel kan worden gebruikt is dus duidelijk. Niettemin kan onder omstandigheden het niet geven van een verklaring voor een bepaalde omstandigheid in de bewezenverklaring worden betrokken. Het is dus van belang ook op dit punt cliënten zorgvuldig voor te lichten.

Wat is jullie ervaring met deze situaties? Wordt de door de Hoge Raad gegeven rechtsregel juist toegepast of wordt het gebruik maken van het zwijgrecht in voorkomende gevallen toch als bewijsmiddel gebruikt?

Loading new posts...
No more posts