#152: Bijstand tijdens het politieverhoor

Vlak voor het kerstreces wees de Hoge Raad een interessant arrest over de raadsman bij het politieverhoor. Wij besteedden in vaklunch #145 al aandacht aan deze zaak waarin de Hoge Raad overweegt voortaan ervan uit te gaan dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie, behoudens bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken. De Hoge Raad gaat ervan uit dat met ingang van 1 maart 2016 toepassing zal worden gegeven aan de regel dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie. Bij de bepaling van die datum is op dit punt rekening gehouden met de Europese Richtlijn die in november geïmplementeerd dient te zijn. De Hoge Raad neemt aan dat de eerder gesignaleerde beleidsmatige, organisatorische en financiële keuzes derhalve inmiddels zijn gemaakt.

De vraag is wel welke gevolgen moeten worden verbonden als wordt verzuimd dit recht te effectueren in de zin van artikel 359a Sv. De Hoge Raad meent dat – zolang de Europese Richtlijn nog niet in de Nederlandse wetgeving is geïmplementeerd dan wel de implementatietermijn van die Richtlijn nog niet is verstreken – het verzuim van het recht op een advocaat tijdens het verhoor minder ernstig is dan schending van het recht op bijstand voorafgaand aan het verhoor. In het laatste geval dient de afgelegde verklaring namelijk wel te worden uitgesloten van het bewijs. In het eerste geval kan strafvermindering of de constatering dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim volgens de Hoge Raad voldoende zijn. De Hoge Raad merkt nog op dat bij het bepalen van de ernst van het verzuim in het bijzonder van belang is of de verhorende opsporingsambtenaren redelijkerwijs mochten aannemen dat niet de gelegenheid behoefde te worden geboden tot het verlenen van rechtsbijstand tijdens het verhoor.

Rechtbank Midden-Nederland wacht overigens niet tot 1 maart 2016, maar heeft het oordeel van de Hoge Raad zich al eigen gemaakt in een recent vonnis in een zaak waarin de betrokkene werd verdacht van ontuchtige handelingen met een minderjarige. Tijdens een tweetal verhoren bij de politie heeft de verdachte geen gebruik kunnen maken van een advocaat. Tijdens het eerste verhoor heeft de verdachte verklaard dat hij geen gebruik wenste te maken van een advocaat. Bij een dergelijke ‘categorie A’ zaak kan de verdachte blijkens de Aanwijzing rechtsbijstand tijdens politieverhoor geen afstand doen van het recht op een advocaat zonder een advocaat te hebben geraadpleegd. Deze verklaring is door de rechtbank om die reden uitgesloten van het bewijs. Een dag later heeft de verdachte voorafgaand aan zijn verhoor wel een raadsman geconsulteerd. De raadsman was echter niet aanwezig tijdens het verhoor, noch heeft de verdachte afstand gedaan van zijn recht daartoe.

De rechtbank sluit ook deze verklaring uit van het bewijs onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 22 december 2015. De rechtbank overweegt dat de Hoge Raad er voortaan vanuit gaat dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor. De rechtbank overweegt dat het uit het arrest van de Hoge Raad kan worden afgeleid dat in het onderhavige geval sprake is van een onherstelbaar vormverzuim. Tijdens het tweede verhoor heeft de verdachte, blijkens het vonnis, de verhorende verbalisanten een briefje gegeven met de volgende tekst: “ik heb mijn verklaring van gisteren 22 mei 2014 niet doorgelezen. Ik beroep mij voor het overige op mijn zwijgrecht zo lang mijn advocaat niet bij het verhoor aanwezig mag zijn”. Daaruit leidt de rechtbank de uitdrukkelijke wens van de verdachte af dat een advocaat bij het verhoor aanwezig zou zijn. Dat heeft de advocaat ook gevraagd, maar toestemming om bij het verhoor te zijn is door de politie geweigerd. De rechtbank overweegt dat ‘[g]elet hierop, op de ernst van de verdenking en het belang van verdachte bij aanwezigheid van zijn advocaat bij zijn verhoor is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een zodanig ernstig verzuim dat de verklaring die verdachte op 23 mei 2014 bij de politie heeft afgelegd ook van het bewijs moet worden uitgesloten’.

Mols concludeerde in het redactioneel van Nieuwsbrief Strafrecht dat het sinds het arrest van de Hoge Raad aan de advocatuur en de politie is om serieus werk te maken van het effectueren van het recht op bijstand tijdens het verhoor. De rechter houdt de wacht en zal ruimte moeten hebben om inhoud te geven aan de ratio van de verhoorbijstand, aldus Mols.[1] Ware woorden en het is dan ook goed om te zien dat het voorzichtige arrest van de Hoge Raad direct wordt omarmd in de lagere rechtspraak. Of deze trend zich voort zal zetten, zal de tijd leren. Duidelijk is dat er werk aan de winkel is voor de advocatuur om de politie scherp te houden.

Wat is jouw ervaring met dit soort kwesties na het arrest van de Hoge Raad? Zijn (lagere) rechters ontvankelijk voor bewijsuitsluitingsverweren als bijstand tijdens een politieverhoor is geweigerd?

[1] Prof. M. G.P.M.F. Mols, ‘Raadsman bij het politieverhoor: de kogel is door de kerk’, Nieuwsbrief Strafrecht, aflevering 1, 2016, p. 13 – 15.

Geen reacties

Plaats een reactie