#138: Vergeten is menselijk

Een verdachten- en getuigenverhoor zijn misschien wel de meest tot de verbeelding sprekende onderdelen van het strafproces. In menig film en TV serie wordt de spanning opgevoerd met scènes waarin een verdachte of een getuige stevig aan de tand wordt gevoeld door de rechercheur die het mysterie moet oplossen of door de schurk die staatsgeheime informatie probeert los te peuteren. En als het niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks. De verhoortechnieken van Jack Bauer (24), John Luther (Luther) en Le Chiffre (Casino Royale) trekken volle zalen, maar zijn niet representatief voor onze dagelijkse praktijk. De verhoren in ons strafproces gaan er een stuk ‘geciviliseerder’ aan toe. Toch is de betrouwbaarheid van een verklaring ook in ons rechtssysteem geen gegeven. Dat zal in ieder geval steeds weer moeten worden afgewogen.

In artikel #091 schreven wij over het feilbare geheugen. Veel factoren zijn van invloed op het menselijk geheugen en daarmee op de betrouwbaarheid van een afgelegde verklaring. De rechter zal in het strafproces steeds de betrouwbaarheid van de verklaring moeten toetsen. Het proefschrift van mr. M.J. Dubelaar, ‘Betrouwbaar getuigenbewijs: totstandkoming en waardering van strafrechtelijke getuigenverklaringen in perspectief’, is in dat kader bijzonder lezenswaardig.

Niet alleen tijdsverloop en de werking van het brein kan effect hebben op de verklaring van de getuige of de verdachte. Ook de wijze waarop vragen worden gesteld kunnen van grote invloed zijn op de betrouwbaarheid van de verklaring, ofwel de ‘waarheid’. Hierover is in het Tijdschrift voor Criminologie onlangs een interessant en voor de praktijk zeer relevante bijdrage gepubliceerd. In ‘Het episodisch geheugen en getuigenverhoor. Wat weten politieverhoorders hiervan?’[1] wordt toegelicht dat uit onderzoek is gebleken dat Nederlandse politieverhoorders essentiële kennis missen over het verkrijgen van betrouwbare informatie gedurende een getuigenverhoor. Hierdoor worden mogelijk verkeerde aannames gedaan gedurende het verhoor, wat van invloed kan zijn op de betrouwbaarheid ervan.

Zo is bijvoorbeeld onderzocht in hoeverre verhoorders kennis hebben van de zogenaamde vergeetcurve. Het kennisniveau blijkt onder de maat. De vergeetcurve laat zien hoe snel iemand informatie vergeet uit het menselijk werkgeheugen. Direct na het verkrijgen van de informatie wordt de informatie snel vergeten. Deze snelheid neemt vervolgens af. Dit is een belangrijk gegeven als een ooggetuige een verklaring aflegt. Heeft de ooggetuige überhaupt alles wat hij heeft gezien kunnen onthouden? Is de afgelegde verklaring wel per definitie volledig? Dergelijke aannames zouden blijkens het artikel onjuist zijn. Naast een aantal andere voor de werking van het geheugen belangrijke fenomenen, is ook onderzocht hoe hoog het kennisniveau is van de politieverhoorders over de ‘Handleiding Verhoor’. Het betreft het standaardwerk voor iedere politieambtenaar die verhoren uitvoert. Ook daar blijkt de kennis, maar ook de handleiding zelf, te wensen over te laten. Geconcludeerd wordt dat politieverhoorders mogelijk verkeerde aannames doen over de werking van het geheugen:

‘Het matige kennisniveau van verhoorspecialisten is vergelijkbaar met dat van andere strafrechtprofessionals wereldwijd, maar evenwel verontrustend. In het bijzonder omdat kennis over de werking van het geheugen ook onvoldoende aanwezig lijkt te zijn bij verhoorders met een bevoegdheid om minderjarigen en andere kwetsbare personen te mogen verhoren. Daarnaast is opvallend dat verhoorervaring geen positief effect lijkt te hebben op het kennisniveau. Politieverhoorders zijn voor de noodzakelijke kennis dus niet zozeer gebaat bij het opdoen van vele jaren ervaring in de verhoorkamer, als wel bij een verbetering van het onderwijs en curriculum op het gebied van getuigenverhoor.’

Er is dus werk aan de winkel, volgens het artikel. Politieverhoorders zullen meer kennis moeten vergaren en toepassen omtrent de werking van het geheugen en de Handleiding Verhoor zal onder handen moeten worden genomen. Ook de advocatuur is gebaat bij kennis over de werking van het geheugen teneinde kritisch te kunnen toezien op de aannames die gedurende en op basis van een verhoor worden gedaan en de uiteindelijke waardering van getuigenbewijs door de rechter.

Wat is jouw ervaring met dergelijke kwesties? Wijs je de rechter op eventuele gebreken in de totstandkoming van een getuigenverklaring en het effect op de betrouwbaarheid ervan? En hoe gaat de rechter daarmee om?

[1] G. Odinot, R. Boon en L. Wolters, ‘Het episodisch geheugen en getuigenverhoor, Wat weten politieverhoorders hiervan?’, Tijdschrift voor criminologie, 2015 (57) 3, p. 279 – 299.

Geen reacties

Plaats een reactie