#435: Spreken is zilver, schrijven is goud

Als gevolg van de coronacrisis is het schriftelijk verhoor  aan een opmars begonnen. Om fysiek contact te beperken, worden in bepaalde gevallen de vragen van opsporingsambtenaren op schrift aan de verdachte gesteld in plaats van in een verhoorkamer op het politiebureau. Wat ons betreft is dit een tendens die verdere navolging verdient, zeker in fraudezaken, waarin de toegevoegde waarde van een fysiek verhoor altijd al beperkt was.

Een van de voornaamste argumenten die spreken voor het houden van een schriftelijk verhoor is het waarborgen van waarheidsvinding. Dat is misschien verrassend, omdat juist die waarheidsvinding reden is voor opsporingsambtenaren om het belang van een fysiek verhoor te benadrukken. De verdachte die in de gelegenheid wordt gesteld in zijn eigen tijd, en al dan niet samen met de advocaat, de antwoorden op papier te zetten, zou gemakkelijk een loopje met de werkelijkheid kunnen nemen. De hardnekkige overtuiging is dat door een verdachte ter plekke met bepaalde vragen te confronteren en onder (geoorloofde) druk te zetten, hem of haar sneller een (bekennend) antwoord kan worden ontfutseld. Of dit onder de streep tot betere waarheidsvinding leidt, is echter nog maar de vraag. De lange lijst aan gerechtelijke dwalingen en vals afgelegde verklaringen wijst eerder op het tegendeel.

Ook in fraudezaken gaat dit argument niet op. Sterker nog, juist in dit soort zaken kan het erg gevaarlijk zijn om vragen ter plekke en uit het hoofd te beantwoorden. Vaak gaat het om complexe materie, om allerlei cijfertjes of kleine lettertjes in clausules in documenten of administratie, soms van tientallen jaren geleden. De kans dat de verdachte zich op dat moment kan herinneren hoe de vork precies in de steel zat, is erg klein. Daarmee is de kans dat er een antwoord volgt dat niet in lijn is met de werkelijkheid, groot. Dat is niet alleen problematisch voor de verdachte, maar ook een risico voor opsporingsautoriteiten. Hun doel is immers in de eerste plaats waarheidsvinding. Om te voorkomen dat een verklaring wordt gegeven die niet accuraat is, zal de verdachte bovendien vaak, al dan niet op advies van de advocaat, besluiten te zwijgen tijdens het verhoor. Ook dat kan de waarheidsvinding in het opsporingsonderzoek verder bemoeilijken.

Maar dat zijn niet de enige argumenten die pleiten tegen het houden van een fysiek verhoor. Als de verdachte al besluit de vragen tijdens een verhoor te beantwoorden, dan is nog niet gezegd dat deze antwoorden op de juiste wijze opgeschreven worden. In Nederland worden antwoorden van de verdachte in principe niet in de eigen woorden geverbaliseerd. In plaats daarvan vindt een ‘zakelijke’ vastlegging plaats van hetgeen door de verdachte wordt verklaard. En die blijkt nogal foutgevoelig.

Zo toont een onderzoek [1] uit 2015, waarin processen-verbaal van verdachtenverhoren werden vergeleken met de opnamen van diezelfde verhoren aan, dat de processen-verbaal gemiddeld maar een kwart van het totale verhoor weergeven. De bevindingen onderstrepen nogmaals het belang van het opnemen van een verhoor (zie ook Vaklunch #416). Verbalisanten blijken de antwoorden van verdachten naar eigen inzicht samen te vatten in het proces-verbaal, waardoor nuance verloren gaat en in bepaalde gevallen een volledig andere verklaring  op papier komt te staan dan in werkelijkheid is afgelegd. Ook lang niet alle vragen die worden gesteld worden in het proces-verbaal vastgelegd. Processen-verbaal bevatten gemiddeld 63% van de gestelde vragen, en dat zijn dan met name de hoofdvragen. Slechts 25% van de vervolgvragen wordt gemiddeld vastgelegd. Frappant is dat verbalisanten tegelijkertijd de nauwkeurigheid van hun vastlegging in een proces-verbaal (onbewust) blijken te onderschatten. Driekwart van de rechercheurs in datzelfde onderzoek gaf aan zelf nooit iets weg te laten uit processen-verbaal.

Dat is zorgelijk, temeer omdat in het Nederlandse strafproces een grote betekenis wordt toegedicht aan processen-verbaal. Het stellen van de vragen op schrift is dan een goed alternatief, juist in complexe fraudezaken. Het biedt niet alleen de verdachte de tijd om de materie die onderwerp van onderzoek is zo volledig mogelijk te reconstrueren, bijvoorbeeld aan de hand van eigen administratie en documenten, maar waarborgt ook een waarheidsgetrouwe vastlegging van de verklaring van de verdachte in het dossier. Dat is in het belang van alle partijen in het strafproces.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

[1] Malsch, Kranendonk, De Keijser, Elffers, Komter en De Boer, De papieren muur: proces-verbaal maakt bewijsvoering soms onbetrouwbaar, NJB 2015, afl. 3, p. 181

Geen reacties

Plaats een reactie