#477: Procesafspraken, it takes three to tango

Procesafspraken blijven de gemoederen bezig houden. Wij schreven hierover al in Vaklunch #450, #465 en #470. Uit de daarin aangehaalde jurisprudentie blijkt dat rechters wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag uiteenlopende criteria toepassen bij de beoordeling van procesafspraken. Zo toetste rechtbank Overijssel begin dit jaar of procesafspraken helpen een bijdrage te leveren aan de ontlasting van het strafrechtsysteem, terwijl hof Arnhem-Leeuwarden afgelopen april procesafspraken beoordeelde op efficiency, duidelijkheid voor de andere betrokken partijen en effectiviteit. Afgelopen week gooide rechtbank Zeeland-West-Brabant het over een compleet andere boeg door te toetsen of de procesafspraken in kwestie voldeden aan ‘twee voorwaarden die het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) stelt aan afsprakenprocedures’. Hoe pakte dat uit?LEES VERDER

#473: Onjuist, maar niet zonder meer bewust

In de fiscale fraudepraktijk passeren vele leerstukken uit verschillende rechtsgebieden de revue. Een recent arrest van de strafkamer van hof Den Haag van 21 april 2022 is daarvan een mooi voorbeeld. In deze zaak veroordeelt het hof een verdachte voor het plegen van valsheid in geschrift (artikel 225 Sr), omdat hij via zijn belastingadviseur de Belastingdienst onjuist zou hebben geïnformeerd over de vestigingsplaats van een vennootschap (een buitenlandse limited). Maar is er wel sprake van opzet?LEES VERDER

#469: fiscale boete, handle with care!

Het feit dat de bewijslast in fiscale zaken kan worden omgekeerd en verzwaard, betekent niet dat daarmee ook sprake is van (voorwaardelijk) opzet. In het arrest van de Belastingkamer van de Hoge Raad van 8 april 2022 onderstreept de Hoge Raad terecht dat voor het bewijs van (voorwaardelijk) opzet een aparte maatstaf geldt, die bovendien een zware motiveringseis kent. Daarmee wijst de Hoge Raad een belangrijk en welkom arrest voor de fiscale boetepraktijk.

LEES VERDER

#466: Vereenzelviging en una via: pas op voor dubbele bestraffing

Het una via-beginsel is een van de belangrijkste beginselen in het fiscale (straf)recht. Dit beginsel – dat is vastgelegd in artikel 243 Sv en artikel 5:44 Awb – dwingt de autoriteiten een keuze te maken tussen strafrechtelijke en bestuursrechtelijke bestraffing van een overtreding. In Vaklunch #423 stonden we stil bij de recente ontwikkelingen in de jurisprudentie. De rechtspraak is duidelijk: wanneer iemand voor een feit via het bestuursrecht is beboet, kan die persoon niet vervolgens voor datzelfde feit ook nog worden vervolgd, en vice versa. Maar wat als de bestuurlijke boete is opgelegd aan een rechtspersoon en vervolgens de directeur-grootaandeelhouder (DGA) wordt vervolgd op basis van hetzelfde feitencomplex? Over die vraag laat de Hoge Raad zich uit in zijn arrest van 15 maart.

LEES VERDER

#463: Substance over form

De suppletieplicht houdt de gemoederen al jaren bezig. Een recente conclusie van A-G IJzerman geeft enkele nieuwe inzichten over de rechtsbescherming die de belastingplichtige heeft indien de inspecteur aan de belanghebbende een boete oplegt wegens schending van de suppletieplicht. LEES VERDER

#452: Strafrechter mag niet op de stoel van de inspecteur zitten

De verhouding tussen het fiscale recht en het strafrecht blijft interessante vraagstukken leveren. De wet bevat bepalingen om te voorkomen dat de strafrechter op de stoel van de inspecteur gaat zitten. Artikel 74 AWR is daarvan een voorbeeld (zie ook Vaklunch #399). Veel duidelijker kan een wetsbepaling niet zijn zou je denken. Toch levert deze bepaling nog wel eens discussies op. Want wat is de werking van artikel 74 AWR als de navorderingsbevoegdheid van de inspecteur is verjaard? Kan het Openbaar Ministerie dan wel fiscaal nadeel ontnemen? En wat als fiscale delicten in een commuun jasje worden gegoten of een fiscaal delict het gronddelict voor witwassen is?LEES VERDER

#442: Ten overvloede: de suppletieplicht

Zodra een belastingplichtige constateert dat hij een aangifte omzetbelasting in de afgelopen vijf kalenderjaren onjuist of onvolledig heeft gedaan en te weinig belasting is betaald, dan is hij op grond van artikel 15, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit gehouden alsnog de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken door middel van een suppletie aangifte. Indien niet of niet tijdig, of niet op de door de inspecteur aangegeven wijze een suppletie wordt gedaan dan wordt dit aangemerkt als een overtreding. In geval van opzet of grove schuld kan daarvoor op grond van artikel 10a, lid 3, AWR een boete worden opgelegd. De vraag is of deze boete niet in strijd is met het nemo tenetur beginsel. Deze rechtsvraag komt – geheel ten overvloede – aan de orde in een recent arrest van de Hoge Raad van 24 september 2021.LEES VERDER

#430: De suppletieplicht versus het zwijgrecht

Het spanningsveld tussen de informatieplicht van een belastingplichtige en het recht zichzelf niet te incrimineren (het nemo teneturbeginsel) is een terugkerend onderwerp van discussie in fiscale boete- en strafzaken. Een recente conclusie van Advocaat-Generaal Ettema over de in artikel 10a Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) opgenomen suppletieplicht blaast deze discussie nieuw leven in, specifiek voor wat betreft het wilsafhankelijke karakter van de suppletie.
LEES VERDER

#429: Niets te verbergen

“Mensen die niet meewerken aan het verstrekken van informatie aan de inspecteur, hebben iets te verbergen.” In de praktijk legt de inspecteur dit nogal eens ten grondslag aan de stelling dat opzettelijk is gehandeld. Maar deze gevolgtrekking gaat niet op in het fiscale boeterecht. Dit kwam en passant ook aan bod in de – overigens om meerdere redenen zeer lezenswaardige – uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 juni 2021. In die zaak vernietigde de rechtbank een fiscale boete. In deze Vaklunch beperken we ons tot dit onderwerp.

LEES VERDER

#415: Paal en perk aan witwasvervolgingen

In Vaklunch #161 schreven wij al over de inkeerbepaling van artikel 69, lid 3 AWR. Deze staat in de weg aan strafvervolging op grond van artikel 69, lid 1 en lid 2 AWR indien de belastingplichtige alsnog de juiste en volledige aangifte doet vóórdat hij redelijkerwijs moet vermoeden dat men hem op het spoor is. Toch komt het in de praktijk voor dat het Openbaar Ministerie na een succesvolle inkeermelding kiest voor strafrechtelijke vervolging voor witwassen. Bijvoorbeeld door een onderzoek te starten naar witwassen met een zogenaamd ongeïdentificeerd gronddelict. Daarmee wordt de blokkade van een onderzoek naar belastingfraude als gronddelict omzeild. Gerechtshof Den Bosch maakt daar in een interessant arrest korte metten mee.LEES VERDER

Loading new posts...
No more posts