#492: klein verschil, grote gevolgen

Vorige week was er opnieuw een FIOD-inval die direct grote aandacht van de media had. Eerder schreven wij al over de bijkomende (emotionele) gevolgen van zo’n inval en het gebrek aan aandacht daarvoor bij de strafeis (zie Vaklunch #449). Maar een FIOD-inval kan ook gevolgen hebben buiten het strafrecht; met name wanneer contante geldbedragen worden aangetroffen en na uitspraak van de strafrechter moeten worden afgestaan. Dat de inspecteur de gevolgen daarvan niet altijd scherp heeft, blijkt uit een recente uitspraak van rechtbank Zeeland-West-Brabant. LEES VERDER

#489: Eenmaal het volledig boetedossier, s.v.p.

Vorige week in Vaklunch #488 bespraken wij het belang van de waarborgen voor degene die een boetebeschikking krijgt opgelegd. Eén van die waarborgen is het recht op inzage in het dossier met de gegevens waarop de boete berust, neergelegd in art. 5:49 Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een heldere bepaling op het eerste oog. In onze praktijk ervaren wij echter niet incidenteel grote weerstand wanneer wordt verzocht om inzage in het boetedossier. Hoe staat het met dit inzagerecht in (fiscale) boeteprocedures en hoe verhoudt dit zich tot een beroep op geheimhouding van stukken?LEES VERDER

#488: Growing pains

Handhaving met de bestuurlijke boete is niet meer weg te denken uit onze praktijk. De boetebepalingen in het bestuursrecht zijn eindeloos en worden veelvuldig ingezet. Voor het bestuursorgaan is het vaak een stempelstuk, maar voor de boeteling – een burger of ondernemer – komt de sanctionering hard aan. Dat geldt voor het gemaakte verwijt zelf en de financiële pijn. Steeds vaker heeft een boete bovendien ook impact op andere zaken, zoals de relatie met een bank of verzekeraar. Dit zijn allemaal vergaande consequenties, die over het algemeen intreden zonder dat een rechter de kwestie heeft beoordeeld. Bestraffing door middel van bestuurlijke boetes kent absoluut voordelen, maar de grootschalige toepassing brengt ook groeipijn met zich. We hebben het al vaker gezegd: efficiëntie mag niet ten koste gaan van fundamentele waarborgen van de boeteling.LEES VERDER

#487: Schot op eigen (goede) doel

Wie goede doelen steunt, wordt beloond. De Algemene Wet inzake Rijksbelastingen bevat namelijk de mogelijkheid om giften aan algemeen nut beogende instellingen (zogenaamde ANBI’s) af te trekken van de aangifte inkomstenbelasting. Deze week was hier in het nieuws aandacht voor in het kader van een “opmerkelijke belastingconstructie”: aftrekbare donaties aan een door de donateur zelf opgerichte ANBI. In een onderzoeksrapport dat afgelopen mei werd gepubliceerd, werd geconstateerd dat de kans op fraude met dit soort constructies aanzienlijk is. Is die zorg terecht?LEES VERDER

#484: Sorry, you’re not invited

Meestal levert de boodschap dat je niet bent uitgenodigd een negatieve connotatie op. In de fiscaliteit ligt dat anders. Dat geldt zeker voor fiscale strafzaken op grond van artikel 69 AWR, waarin bewijs moet worden geleverd voor het bestanddeel “bij belastingwet voorziene aangifte”. Ontbreekt dat bewijs? Dan volgt vrijspraak. Zo ook in een recente douanestrafzaak van hof Den Bosch tegen een voormalig aandeelhouder van een vennootschap.LEES VERDER

#483: Waar rook is, is niet altijd vuur

Toen de belastinginspecteur in 2009 de mogelijkheid kreeg om naast plegers van beboetbare feiten ook fiscale boetes op te leggen aan zogenaamde deelnemers, zoals de medepleger, zorgde dat voor onrust onder belastingadviseurs. Zij werden aanvankelijk gerustgesteld in de vakliteratuur: gelet op de jurisprudentie rondom het (voorwaardelijk) opzet zou het allemaal zo’n vaart niet lopen. En daarnaast werd als waarborg het vereiste van toestemming voor beboeting van de top van Financiën ingevoerd (par. 2.6 BBBB). De jurisprudentie liet tot dat moment echter maar al te vaak zien dat de minimumbewijsregels voor het voorwaardelijk opzet niet goed werden toegepast door opsporingsautoriteiten en de fiscus (zie Vaklunch #62). Inmiddels zijn we ruim tien jaar verder. Waren de sussende woorden (on)terecht?LEES VERDER

#481: Een brief van de inspecteur

In fiscale fraudezaken lopen de strafrechtelijke procedure en de fiscale procedure vaak naast elkaar. De procedures kennen doorgaans een zekere overlap; als initieel het juiste bedrag aan belasting is geheven, impliceert dat ook dat er geen onjuiste aangifte is gedaan. Het ligt in de rede dat de strafrechter voor de beoordeling van dergelijke fiscaalinhoudelijke vraagstukken rekening houdt met de fiscale procedure. Dit blijkt ook uit een recent arrest van het hof Den Bosch.LEES VERDER

#477: Procesafspraken, it takes three to tango

Procesafspraken blijven de gemoederen bezig houden. Wij schreven hierover al in Vaklunch #450, #465 en #470. Uit de daarin aangehaalde jurisprudentie blijkt dat rechters wegens het ontbreken van een wettelijke grondslag uiteenlopende criteria toepassen bij de beoordeling van procesafspraken. Zo toetste rechtbank Overijssel begin dit jaar of procesafspraken helpen een bijdrage te leveren aan de ontlasting van het strafrechtsysteem, terwijl hof Arnhem-Leeuwarden afgelopen april procesafspraken beoordeelde op efficiency, duidelijkheid voor de andere betrokken partijen en effectiviteit. Afgelopen week gooide rechtbank Zeeland-West-Brabant het over een compleet andere boeg door te toetsen of de procesafspraken in kwestie voldeden aan ‘twee voorwaarden die het Europese Hof van de Rechten van de Mens (EHRM) stelt aan afsprakenprocedures’. Hoe pakte dat uit?LEES VERDER

#473: Onjuist, maar niet zonder meer bewust

In de fiscale fraudepraktijk passeren vele leerstukken uit verschillende rechtsgebieden de revue. Een recent arrest van de strafkamer van hof Den Haag van 21 april 2022 is daarvan een mooi voorbeeld. In deze zaak veroordeelt het hof een verdachte voor het plegen van valsheid in geschrift (artikel 225 Sr), omdat hij via zijn belastingadviseur de Belastingdienst onjuist zou hebben geïnformeerd over de vestigingsplaats van een vennootschap (een buitenlandse limited). Maar is er wel sprake van opzet?LEES VERDER

#469: fiscale boete, handle with care!

Het feit dat de bewijslast in fiscale zaken kan worden omgekeerd en verzwaard, betekent niet dat daarmee ook sprake is van (voorwaardelijk) opzet. In het arrest van de Belastingkamer van de Hoge Raad van 8 april 2022 onderstreept de Hoge Raad terecht dat voor het bewijs van (voorwaardelijk) opzet een aparte maatstaf geldt, die bovendien een zware motiveringseis kent. Daarmee wijst de Hoge Raad een belangrijk en welkom arrest voor de fiscale boetepraktijk.

LEES VERDER

Loading new posts...
No more posts