#457 Too little, too late

Op de valreep van 2021 nam een langslepende fraudezaak een opmerkelijke wending. De verdachte, die onder andere belastingfraude werd verweten, werd integraal vrijgesproken (en ontslagen van alle rechtsvervolging). Wat dit vonnis zo opvallend maakt, is de rol die het Openbaar Ministerie daarbij heeft gespeeld. De officier van justitie heeft de rechter tijdens de zitting namelijk gevraagd de verdachte vrij te spreken wegens een gebrek aan bewijs. Na een vervolging van achtenhalf jaar kwam dit standpunt van het Openbaar Ministerie als een verrassing.LEES VERDER

#454: Een nieuw jaar, een nieuw team

Een kleine terugblik op het afgelopen jaar leert ons dat de Covid-19 pandemie de rechtspraktijk niet heeft doen stilstaan. Vorig jaar hoopten wij dat in de nasleep van de toeslagenaffaire het jaar 2021 in het teken zou staan van de rechtsbescherming. En hoewel we er nog lang niet zijn, lijken rechters soms kleine stapjes in de juiste richting te zetten.

De ontwikkelingen op dit moment in onze praktijk zijn enorm groot; van een nieuw Europees Openbaar Ministerie tot een veelvoud aan nieuwe zaken op het gebied van cybercrime en corruptie. Zaken waar de grenzen nog grijs gekleurd zijn. Prachtige nieuwe uitdagingen voor het jaar 2022 liggen dus in het verschiet!

En ook Vaklunch.nl maakt een mooie ontwikkeling door. In het jaar 2022 zullen wij nog steeds elke woensdag een artikel met jullie delen over een onderwerp dat ons aan het hart gaat. Maar vanaf 2022 breiden wij ons team uit met Luce Smithuijsen, Judith Gijsen en Linda Gruijthuijsen. Afgelopen zomer waren zij al gastschrijver bij Vaklunch.nl maar we zijn ontzettend blij dat we hen nu vast bij ons team mogen verwelkomen.

Voor nu wensen wij iedereen hele fijne feestdagen en een gelukkig maar vooral gezond Nieuw Jaar!

Hartelijke groeten,

Mariëlle Boezelman & Judith de Boer

Hertoghs Advocaten

N.B. De eerstvolgende Vaklunch verschijnt op 5 januari 2022

#452: Strafrechter mag niet op de stoel van de inspecteur zitten

De verhouding tussen het fiscale recht en het strafrecht blijft interessante vraagstukken leveren. De wet bevat bepalingen om te voorkomen dat de strafrechter op de stoel van de inspecteur gaat zitten. Artikel 74 AWR is daarvan een voorbeeld (zie ook Vaklunch #399). Veel duidelijker kan een wetsbepaling niet zijn zou je denken. Toch levert deze bepaling nog wel eens discussies op. Want wat is de werking van artikel 74 AWR als de navorderingsbevoegdheid van de inspecteur is verjaard? Kan het Openbaar Ministerie dan wel fiscaal nadeel ontnemen? En wat als fiscale delicten in een commuun jasje worden gegoten of een fiscaal delict het gronddelict voor witwassen is?LEES VERDER

#451: “Weg met onzinbeslag”

Dat het Openbaar Ministerie vrij ijverig is met het leggen van beslag zullen veel advocaten wel herkennen. Als het gaat om het opheffen van die beslagen is die ijver echter nergens meer te bekennen. Het lijkt soms alsof officieren van justitie het moeilijk vinden een beslissing te nemen op een verzoek van de verdediging om het beslag (gedeeltelijk) vrij te geven. Hoewel we met z’n allen bijna gewend zijn geraakt aan deze vreemde situatie, blijken er toch ook officieren van justitie te zijn die aanleiding zien om deze praktijk te veranderen. “Weg met onzinbeslag”, zo luidt het veelbelovende artikel in het tijdschrift Opportuun. LEES VERDER

#450: Creativiteit leidt tot efficiëntie

Al langer klinkt de roep om de mogelijkheid speciale proces- en vonnisafspraken te kunnen maken tussen justitie en verdediging. Op die manier kunnen sommige strafzaken efficiënter worden afgerond met een acceptabele uitkomst voor beide partijen. Het Openbaar Ministerie kan snel en kordaat een voorbeeld stellen en de verdachte weet eerder waar hij of zij aan toe is en hem/haar blijft een jarenlang voortslepend onderzoek bespaard. Even leek de rechtbank in Overijssel een streep te hebben gezet door de mogelijkheid om straftoemetingsafspraken te maken. Gelukkig is dit door de rechtbank Rotterdam nieuw leven ingeblazen. LEES VERDER

#449: Daar wordt aan de deur geklopt

Dieuwertje Blok hield het land vorige week zoals elk jaar weer flink in spanning of er dit jaar wel op de deur geklopt zal gaan worden. Heel Nederland kent de uitdrukking en de gedachte hieraan stemt de meesten ongetwijfeld vrolijk; het is de opmars naar de feestdagen. Maar dat geldt niet voor degenen die ooit te maken hebben gehad met aankloppende opsporingsautoriteiten zoals de FIOD. De gevolgen van zo’n inval zijn in de praktijk – ook als er niets aan de hand bleek te zijn – niet te onderschatten. LEES VERDER

#447: Melden om het melden

Een recordaantal meldingen van ongebruikelijke transacties, zo blijkt uit een recent artikel op NOS.nl. Daarin wordt vermeld dat de Financial Intelligence Unit (FIU) tot november 2021 al meer meldingen van ongebruikelijke transacties heeft ontvangen dan in heel 2020. De verwachting is dat het aantal meldingen dit jaar boven de miljoen zal zijn. Maar wat is het effect van zoveel meldingen? Of zijn banken vooral aan het melden om het melden?

In Vaklunch #350 en #334 schreven wij al over de steeds verdergaande anti-witwaswetgeving en daarmee verbonden meldplicht voor banken. Die is gebaseerd op de Wet ter voorkoming van witwassen en het financieren van terrorisme (hierna: de Wwft). Op grond van de Wwft dienen onder andere financiële ondernemingen, waaronder dus banken, ongebruikelijke transacties te melden.

Voor banken betekent deze meldplicht dat zij alle transacties die via hun diensten lopen moeten monitoren. Inmiddels nemen banken die plicht ook serieus. In de afgelopen jaren zijn ruim 12.000 mensen opgeleid die zich bezighouden met alleen de Wwft-verplichtingen. Het is een arbeidsmarkt op zich. Wij leiden daaruit af dat de schikkingen met ABN Amro en ING een duidelijke signaalfunctie hebben gehad. In het met de ABN Amro-schikking samenhangende feitenrelaas (zie hierover ook Vaklunch #340) schrijft het OM dan ook dat het monitoren van transacties van cliënten een belangrijk middel is om ongebruikelijke transacties te identificeren. Dus melden zal je.

Maar ondanks deze inspanningen van de banken blijkt uit het jaarverslag van de FIU over 2020 dat van de ruim 700.000 gemelde ongebruikelijke transacties, ‘slechts’ ruim 100.000 daadwerkelijk door de FIU verdacht werden bevonden. Dat leidde uiteindelijk tot ‘slechts’ 20.000 strafdossiers. De Nederlandse Vereniging voor Banken wijdt dat aan een capaciteitsprobleem bij de FIU. Maar wat ons betreft tonen deze cijfers aan dat óf de bepalingen in de Wwft veel te ruim zijn, of dat instellingen – waaronder banken – vooral melden om het melden.

Hoewel het gelet op de recente schikkingen zeer begrijpelijk is dat financiële ondernemingen hun meldplicht scherp in het vizier houden, leidt de huidige meldpraktijk allerminst tot effectieve handhaving. Bovendien heeft dit weer direct effect op de verdedigingsrechten.

In de eerste plaats worden wij in onze praktijk regelmatig geconfronteerd met opsporingsonderzoeken die zijn gebaseerd op FIU-meldingen van enkele jaren oud. Dit tijdsverloop bemoeilijkt de waarheidsvinding, omdat het voor opsporingsinstanties en de verdediging steeds lastiger wordt om feiten uit een ver verleden te reconstrueren.

In de tweede plaats ontstaat het beeld dat de overheid willekeurig omgaat met het starten van een strafrechtelijk onderzoek. Dit roept bij cliënten – terecht – de vraag op waarom de ene Wwft-melding wel wordt opgepakt, en de andere niet.

In de derde plaats zien wij dat banken in het kader van hun Wwft-verplichtingen vaak verregaande vragen stellen, die er in het slechtste geval toe leiden dat de bank de relatie met de klant opzegt. Dit heeft grote gevolgen voor cliënten. Terwijl het dus nog maar de vraag is of die Wwft-melding uiteindelijk door de FIU als ‘verdacht’ wordt bestempeld. Ook dit is nauwelijks aan cliënten uit te leggen.

Deze drie voorbeelden laten zien dat in het huidige Wwft-beleid de rechten van verdachte cliënten verder onder druk komen te staan. Tijd om daar eens de aandacht op te vestigen!

Heb je vragen over of wil je van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

#442: Ten overvloede: de suppletieplicht

Zodra een belastingplichtige constateert dat hij een aangifte omzetbelasting in de afgelopen vijf kalenderjaren onjuist of onvolledig heeft gedaan en te weinig belasting is betaald, dan is hij op grond van artikel 15, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit gehouden alsnog de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken door middel van een suppletie aangifte. Indien niet of niet tijdig, of niet op de door de inspecteur aangegeven wijze een suppletie wordt gedaan dan wordt dit aangemerkt als een overtreding. In geval van opzet of grove schuld kan daarvoor op grond van artikel 10a, lid 3, AWR een boete worden opgelegd. De vraag is of deze boete niet in strijd is met het nemo tenetur beginsel. Deze rechtsvraag komt – geheel ten overvloede – aan de orde in een recent arrest van de Hoge Raad van 24 september 2021.LEES VERDER

#425: Daar plukt u de vruchten van

Op een strafrechtelijke veroordeling wegens fraude volgt tegenwoordig regelmatig een ontnemingsvordering. De ontnemingsmaatregel biedt een makkelijke mogelijkheid om het voordeel dat de veroordeelde door middel van het strafbare feit heeft behaald, af te pakken en aan de staat te doen toekomen. De hoogte van het te ontnemen bedrag wordt na de veroordeling (naar schatting) in een afzonderlijke procedure door de ontnemingsrechter vastgesteld. Deze procedure kan ook parallel lopen aan de inhoudelijke behandeling van de strafzaak. Het vaststellen van het te ontnemen bedrag hoeft geen ingewikkelde exercitie te zijn, maar in de praktijk kan onderschatting van deze procedure juist leiden tot onoplettendheid, die meestal niet in het voordeel van de veroordeelde uitvalt.LEES VERDER

#415: Paal en perk aan witwasvervolgingen

In Vaklunch #161 schreven wij al over de inkeerbepaling van artikel 69, lid 3 AWR. Deze staat in de weg aan strafvervolging op grond van artikel 69, lid 1 en lid 2 AWR indien de belastingplichtige alsnog de juiste en volledige aangifte doet vóórdat hij redelijkerwijs moet vermoeden dat men hem op het spoor is. Toch komt het in de praktijk voor dat het Openbaar Ministerie na een succesvolle inkeermelding kiest voor strafrechtelijke vervolging voor witwassen. Bijvoorbeeld door een onderzoek te starten naar witwassen met een zogenaamd ongeïdentificeerd gronddelict. Daarmee wordt de blokkade van een onderzoek naar belastingfraude als gronddelict omzeild. Gerechtshof Den Bosch maakt daar in een interessant arrest korte metten mee.LEES VERDER

Loading new posts...
No more posts