#475: Fraude in het buitenland, het nultarief en opzet

Bestrijding van internationale btw-fraude blijft een belangrijk speerpunt van het Openbaar Ministerie en ook van het Europees Openbaar Ministerie. De inzet van het strafrecht in dit soort zaken blijkt echter niet altijd op zijn plaats. Daarbij kunnen de volgende vragen interessant zijn: wanneer kan worden bewezen dat sprake is van fraude in de handelsketen en wat zijn de fiscale gevolgen daarvan in Nederland? En hoe zit het met het bewijs van opzet? Een recent vonnis van de rechtbank Amsterdam zet een aantal heldere uitgangspunten op een rij.LEES VERDER

#473: Onjuist, maar niet zonder meer bewust

In de fiscale fraudepraktijk passeren vele leerstukken uit verschillende rechtsgebieden de revue. Een recent arrest van de strafkamer van hof Den Haag van 21 april 2022 is daarvan een mooi voorbeeld. In deze zaak veroordeelt het hof een verdachte voor het plegen van valsheid in geschrift (artikel 225 Sr), omdat hij via zijn belastingadviseur de Belastingdienst onjuist zou hebben geïnformeerd over de vestigingsplaats van een vennootschap (een buitenlandse limited). Maar is er wel sprake van opzet?LEES VERDER

#469: fiscale boete, handle with care!

Het feit dat de bewijslast in fiscale zaken kan worden omgekeerd en verzwaard, betekent niet dat daarmee ook sprake is van (voorwaardelijk) opzet. In het arrest van de Belastingkamer van de Hoge Raad van 8 april 2022 onderstreept de Hoge Raad terecht dat voor het bewijs van (voorwaardelijk) opzet een aparte maatstaf geldt, die bovendien een zware motiveringseis kent. Daarmee wijst de Hoge Raad een belangrijk en welkom arrest voor de fiscale boetepraktijk.

LEES VERDER

#463: Substance over form

De suppletieplicht houdt de gemoederen al jaren bezig. Een recente conclusie van A-G IJzerman geeft enkele nieuwe inzichten over de rechtsbescherming die de belastingplichtige heeft indien de inspecteur aan de belanghebbende een boete oplegt wegens schending van de suppletieplicht. LEES VERDER

#457 Too little, too late

Op de valreep van 2021 nam een langslepende fraudezaak een opmerkelijke wending. De verdachte, die onder andere belastingfraude werd verweten, werd integraal vrijgesproken (en ontslagen van alle rechtsvervolging). Wat dit vonnis zo opvallend maakt, is de rol die het Openbaar Ministerie daarbij heeft gespeeld. De officier van justitie heeft de rechter tijdens de zitting namelijk gevraagd de verdachte vrij te spreken wegens een gebrek aan bewijs. Na een vervolging van achtenhalf jaar kwam dit standpunt van het Openbaar Ministerie als een verrassing.LEES VERDER

#452: Strafrechter mag niet op de stoel van de inspecteur zitten

De verhouding tussen het fiscale recht en het strafrecht blijft interessante vraagstukken leveren. De wet bevat bepalingen om te voorkomen dat de strafrechter op de stoel van de inspecteur gaat zitten. Artikel 74 AWR is daarvan een voorbeeld (zie ook Vaklunch #399). Veel duidelijker kan een wetsbepaling niet zijn zou je denken. Toch levert deze bepaling nog wel eens discussies op. Want wat is de werking van artikel 74 AWR als de navorderingsbevoegdheid van de inspecteur is verjaard? Kan het Openbaar Ministerie dan wel fiscaal nadeel ontnemen? En wat als fiscale delicten in een commuun jasje worden gegoten of een fiscaal delict het gronddelict voor witwassen is?LEES VERDER

#450: Creativiteit leidt tot efficiëntie

Al langer klinkt de roep om de mogelijkheid speciale proces- en vonnisafspraken te kunnen maken tussen justitie en verdediging. Op die manier kunnen sommige strafzaken efficiënter worden afgerond met een acceptabele uitkomst voor beide partijen. Het Openbaar Ministerie kan snel en kordaat een voorbeeld stellen en de verdachte weet eerder waar hij of zij aan toe is en hem/haar blijft een jarenlang voortslepend onderzoek bespaard. Even leek de rechtbank in Overijssel een streep te hebben gezet door de mogelijkheid om straftoemetingsafspraken te maken. Gelukkig is dit door de rechtbank Rotterdam nieuw leven ingeblazen. LEES VERDER

#442: Ten overvloede: de suppletieplicht

Zodra een belastingplichtige constateert dat hij een aangifte omzetbelasting in de afgelopen vijf kalenderjaren onjuist of onvolledig heeft gedaan en te weinig belasting is betaald, dan is hij op grond van artikel 15, lid 1, van het Uitvoeringsbesluit gehouden alsnog de juiste en volledige inlichtingen, gegevens of aanwijzingen te verstrekken door middel van een suppletie aangifte. Indien niet of niet tijdig, of niet op de door de inspecteur aangegeven wijze een suppletie wordt gedaan dan wordt dit aangemerkt als een overtreding. In geval van opzet of grove schuld kan daarvoor op grond van artikel 10a, lid 3, AWR een boete worden opgelegd. De vraag is of deze boete niet in strijd is met het nemo tenetur beginsel. Deze rechtsvraag komt – geheel ten overvloede – aan de orde in een recent arrest van de Hoge Raad van 24 september 2021.LEES VERDER

#429: Niets te verbergen

“Mensen die niet meewerken aan het verstrekken van informatie aan de inspecteur, hebben iets te verbergen.” In de praktijk legt de inspecteur dit nogal eens ten grondslag aan de stelling dat opzettelijk is gehandeld. Maar deze gevolgtrekking gaat niet op in het fiscale boeterecht. Dit kwam en passant ook aan bod in de – overigens om meerdere redenen zeer lezenswaardige – uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 10 juni 2021. In die zaak vernietigde de rechtbank een fiscale boete. In deze Vaklunch beperken we ons tot dit onderwerp.

LEES VERDER

#423: Omarm het una via-beginsel

Het Openbaar Ministerie is druk bezet. Niet alle kwesties die onderzocht zouden kunnen worden, worden opgepakt.  Soms uit opportuniteitsoogpunt, maar ook vanwege gebrek aan capaciteit. Door het strafrecht enkel in te zetten als ultimum remedium kan die capaciteit ons inziens beter worden benut. Deze gedachte ligt in zekere zin ook vervat in het una via-beginsel. De praktijk lijkt echter weerbarstig op dit punt. Nog altijd worden zaken vervolgd door het Openbaar Ministerie waarvoor reeds een fiscale boete is opgelegd. Dat leidt – ons inziens geheel terecht – tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. De capaciteit voor dat onderzoek had dus beter kunnen worden ingezet en de betrokkene had een strafrechtelijk procedure, met alle mogelijke gevolgen van dien (zie Vaklunch #398), bespaard kunnen worden. Waarom beslist het Openbaar Ministerie dan toch dergelijke zaken te vervolgen?LEES VERDER

Loading new posts...
No more posts