#419: Preaching to the converted

De witwasbepalingen zijn een welkom wapen voor het Openbaar Ministerie. In veel fraudezaken komt een verdenking van witwassen voor, bij voorkeur een verdenking van witwassen met een ongeïdentificeerd gronddelict. In dat geval mag op basis van de ontstane jurisprudentie van de verdachte verlangd worden dat hij een verklaring geeft over de herkomst van het vermogen. Hoewel het Openbaar Ministerie dat nog wel eens lijkt te vergeten, betekent dat niet dat de verdachte bewijs voor zijn onschuld dient aan te leveren. En het betekent ook niet dat het Openbaar Ministerie in dergelijke onderzoeken achterover kan leunen, zoals wij al schreven in Vaklunch #411. Nee, het Openbaar Ministerie dient zelfstandig onderzoek te doen.Lees verder

#415: Paal en perk aan witwasvervolgingen

In Vaklunch #161 schreven wij al over de inkeerbepaling van artikel 69, lid 3 AWR. Deze staat in de weg aan strafvervolging op grond van artikel 69, lid 1 en lid 2 AWR indien de belastingplichtige alsnog de juiste en volledige aangifte doet vóórdat hij redelijkerwijs moet vermoeden dat men hem op het spoor is. Toch komt het in de praktijk voor dat het Openbaar Ministerie na een succesvolle inkeermelding kiest voor strafrechtelijke vervolging voor witwassen. Bijvoorbeeld door een onderzoek te starten naar witwassen met een zogenaamd ongeïdentificeerd gronddelict. Daarmee wordt de blokkade van een onderzoek naar belastingfraude als gronddelict omzeild. Gerechtshof Den Bosch maakt daar in een interessant arrest korte metten mee.Lees verder

#414: Principes en beginselen

Het strafrecht is een ultimum remedium. Alleen als ingrijpen nodig wordt geacht en geen ander middel geschikt is, kan worden gekozen voor de inzet van het strafrecht. Het is echter geen geheim dat de ultimum remedium-gedachte naar de achtergrond lijkt te zijn geraakt. Hierover schreven wij nog in Vaklunch #405. In een aantal recente arresten van gerechtshof Amsterdam aangaande de luchtvaartmaatschappijen komt de ultimum remedium-gedachte indirect toch tot uiting. Wij juichen dit van harte toe. Lees verder

#404: De toonzetting voor het nieuwe jaar

Nog vlak voor de jaarwisseling eindigt het Openbaar Ministerie met een duidelijk persbericht en zet daarmee de toon voor het nieuwe jaar. Een hoogleraar belastingrecht krijgt een boete van € 50.000 opgelegd in de vorm van een strafbeschikking. De strafbeschikking is een strafmodaliteit die door het Openbaar Ministerie kan worden opgelegd. De motivering geeft inzicht in de gedachtegang van het Openbaar Ministerie in de strafwaardigheid en kan daarmee ook nuttig zijn voor andere zaken.Lees verder

#266: Data: the wood for the trees

De digitalisering van het dagelijks leven resulteert in grote hoeveelheden data. E-mails, documenten, sms verkeer: het digitale werken laat sporen achter. Sporen die voor opsporingsinstanties van groot belang kunnen zijn. Sporen die kunnen leiden tot bewijs van strafbare feiten. In de praktijk worden tegenwoordig dan ook grote hoeveelheden data in beslag genomen. Het is een wirwar van informatie. Hoe structureer je die data? Hoe maak je inzichtelijk wat met die data is gedaan? En hoe voorkom je dat in voorkomende gevallen selectief data wordt verzameld hetgeen leidt tot een eenzijdig beeld van de werkelijkheid, ofwel tunnelvisie? En misschien wel belangrijker, hoe stel je achteraf vast of al dan niet selectief data is verzameld? In steeds meer onderzoeken wordt zoveel data verzameld dat de procespartijen door de bomen het bos niet meer zien. Aan het structureren van die informatie en het inzichtelijk maken van het onderzoeksproces ter verificatie is nog veel winst te boeken.

Lees verder

#257: Strafbare valkuilen

Fraude onderzoeken kenmerken zich door enorme omvangen. Dat uiteindelijk veel ordners van het procesdossier overbodig blijken als het écht tot een zitting komt zal menig rechter, officier van justitie en advocaat beamen. Het enorme aanbod aan opsporingsmiddelen leidt tot een evenzo groot aanbod aan in beslag genomen materiaal. En het komt vaak voor dat zich in dat materiaal informatie bevindt waarvan de verdachte zich afvraagt hoe men daar aan is gekomen. Veelal wordt tijdens het onderzoek gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een vordering tot uitlevering van opgeslagen of vastgelegde gegevens ex artikel 126nd Wetboek van Strafvordering (Sv) uit te vaardigen. Deze vordering mag niet aan een verdachte worden gericht. Dit kan bijvoorbeeld de adviseur, de bank of de vermogensbeheerder zijn. De vordering verplicht diegene tot het verlenen van medewerking én tot geheimhouding, ook – of wellicht juist – tegenover de verdachte. In een recente zaak liep een verdenking van schending van deze geheimhoudingsplicht met een sisser af.Lees verder

#253: Schizofrenie en de onschuldpresumptie

De onschuldpresumptie is een groot goed in ons rechtsstelsel. Dit recht is vastgelegd in artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Iedereen die verdacht wordt van een strafbaar feit komt dit recht toe. De Hoge Raad en rechters in den lande onderkennen op zichzelf dat ook in fiscale zaken onder omstandigheden de onschuldpresumptie gerespecteerd moet worden. Toch lijken beeld en geluid bij de toepassing op concrete zaken niet te kloppen.

Lees verder

#247: De uiterlijke schijn van (on)partijdigheid

Op basis van artikel 512 Wetboek van Strafvordering kunnen het Openbaar Ministerie en de verdachte de rechter wraken indien zich feiten of omstandigheden voordoen ‘waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden’. Onder meer in vaklunch #128 schreven wij al over gevallen waarin een wrakingsverzoek kan worden gedaan en de wijze waarop een wrakingsverzoek wordt beoordeeld. Ook concludeerden we dat een wraking niet mag worden gebruikt als een ‘verkapt rechtsmiddel’. Grond voor wraking bestaat alleen als uit een beslissing een zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid volgt. Dat is echter niet eenvoudig. Uit een recente beslissing van Rechtbank Zeeland-West-Brabant blijkt dat de moeite loont om de houding van de rechter te monitoren. Niet alleen op basis van zijn uitlatingen maar ook op basis van zijn beweegredenen om op een bepaalde wijze te acteren kan de schijn van onpartijdigheid blijken.

Lees verder

#245: Wat is opportuun?

Soms voelt het voor een verdachte niet opportuun dat hij wordt vervolgd; hij heeft het niet (expres) gedaan, hij kon niet anders of het is geen ernstig feit. Het komt er vaak op neer dat een vervolging voelt als ‘niet eerlijk’. Het is aan de advocaat van de verdachte om te bepalen of dat gevoel van oneerlijkheid ook vertaald kan worden naar een juridisch ontvankelijkheidsverweer. Ontvankelijkheidsverweren worden vaak gevoerd in het kader van ernstige vormverzuimen. Maar het komt ook voor dat de vervolging in strijd wordt geacht met de beginselen van een goede procesorde. In een heel enkel geval wordt het Openbaar Ministerie – ondanks het opportuniteitsbeginsel – in verband met een schending van de goede procesorde toch niet-ontvankelijk verklaard.
Lees verder

#231: De gevolgen van de inkeerregeling voor derden

In Vaklunch #161 besteedden wij aandacht aan een arrest van de Hoge Raad van 5 april 2016 aangaande de relatie tussen de inkeerregeling en witwassen. De Hoge Raad oordeelde dat de algemene beginselen van behoorlijke procesorde met zich mee kunnen brengen dat indien vervolging voor het fiscale misdrijf vanwege een geldige inkeermelding is uitgesloten, ook geen vervolging voor witwassen kan plaatsvinden. Wegens een motiveringsgebrek casseert de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden spreekt zich nu opnieuw uit in deze zaak.Lees verder