#139: Pragmatisme versus de wet

Het is in de praktijk inmiddels bijna standaard dat de rechter-commissaris aan de verdediging en de officier van justitie, voorafgaand aan een getuigenverhoor, verzoekt een lijst met vragen aan de getuige toe te sturen. De redenen hiervoor zijn met name praktisch van aard. Zo weet de rechter-commissaris immers welke vragen aan de orde zullen komen. Veelal wordt verzocht om een Word-bestand waarin de vragen staan genoteerd zodat de griffier alvast de vragen kan copy-pasten in het proces-verbaal. Ook kan de rechter-commissaris op die manier een tijdsplanning maken en bekijken of de vragen relevant zijn. Deze praktijk wordt ook bevestigd door een arrest van de Hoge Raad van 1 september 2015. Maar (dit) pragmatisme staat gelukkig niet boven de wet.

In de artikelen 186 en 186a Sv staan de regels voor het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris omschreven als het aankomt op de rechten van de officier van justitie en de verdediging. In beginsel is de raadsman van de verdachte bevoegd om de verhoren van de rechter-commissaris bij te wonen, tenzij het belang van het onderzoek dit verbiedt. De verdediging kan gedurende dit verhoor de vragen opgeven die hij gesteld wenst te zien. In beginsel wordt in de wet dus geen recht aan de officier van justitie of de verdediging gegeven om de vragen zelf te stellen. De praktijk is echter anders. Over het algemeen is het zo dat degene die de getuige opgeeft om te horen, ook de gelegenheid krijgt deze getuige als eerste vragen te stellen. Wellicht is ook dit een vorm van pragmatisme, zodat de verdediging niet aan de rechter-commissaris hoeft te vragen welke vraag hij wenst te stellen en de rechter-commissaris dit vervolgens aan de getuige voor houdt.

Dr. mr. D.V.A. Brouwer constateerde in zijn artikel ‘De rechter-commissaris, de getuige, de verdediging en haar vragen’ dat de wetgever deze praktijk in wezen ook erkent, gezien het hetgeen bepaald is in artikel 187b Sv. Hierin staat dat de rechter-commissaris een vraag van bijvoorbeeld de verdediging kan beletten. Nu artikel 186 jo. 186a Sv impliceert dat de vragen van de procespartijen in wezen door de rechter-commissaris worden gesteld – en er geen verplichting bestaat om de vragen van de verdediging überhaupt te stellen – is de wettelijke mogelijkheid om vragen van de verdediging te beletten wellicht overbodig. Het direct stellen van vragen door de verdediging lijkt dus een praktijk die wordt erkend door de wet.

Wellicht dat het hof ook zo dacht in de zaak die leidde tot het arrest van 1 september 2015. In deze zaak zou op verzoek van de verdediging een aantal getuigen worden gehoord. De zaak is daarop naar de raadsheer-commissaris verwezen. De raadsheer-commissaris heeft vervolgens de verdediging verzocht om de vragen aan de getuigen op voorhand toe te sturen. De verdediging heeft dit – om haar moverende redenen – niet gedaan. Het hof heeft vervolgens een ultimatum gesteld. Indien niet voor een bepaalde datum de vragen op schrift waren gesteld, zouden de getuigen niet worden gehoord en diende men er rekening mee te worden gehouden dat het hof kon beslissen dat de verdediging geen gebruik heeft willen maken van de geboden mogelijkheid om getuigen te horen en daarom geen nieuwe mogelijkheid krijgt.

En zo geschiedde. De verdediging heeft vervolgens gesteld dat deze beslissing in strijd is met het ondervragingsrecht en het verschoningsrecht. Maar het heeft niet mogen baten. De Hoge Raad maakt echter korte metten met deze beslissing van het hof. Niet vanwege een schending van het ondervragingsrecht of het verschoningsrecht, maar simpelweg omdat de wet niet in dit soort pragmatisme voorziet.

In de parlementaire geschiedenis staat namelijk het volgende:

“Een algemene bevoegdheid tot het bijwonen van verhoren van de rechter-commissaris komt de raadsman niet toe. Hoofdregel is weliswaar dat de raadsman deze verhoren kan bijwonen, doch deze regel lijdt uitzondering, indien het belang van het onderzoek dit verbiedt. De raadsman bezit wel een algemene bevoegdheid tot het opgeven van vragen die hij gesteld wenst te zien. Hij kan zulks vóór of tijdens het verhoor doen.”

Het staat de verdediging dus vrij om tijdens het getuigenverhoor bij de rechter-commissaris vragen te stellen aan de getuige, indien zij aanwezig mag zijn. Het pragmatisme van Hof Arnhem wordt dus niet erkend door de wet en dat is maar goed ook. De verdediging kan niet worden verplicht op voorhand vragen toe te zenden aan de rechter-commissaris. Indien naar aanleiding van de gegeven antwoorden tijdens het verhoor de verdediging bepaalde vragen niet (meer) wenst te stellen, dan moet het immers niet zo zijn dat de rechter-commissaris deze vragen toch stelt, enkel omdat hij de op voorhand bedachte vragen van de verdediging in zijn bezit heeft. In zoverre wordt door deze uitspraak het verdedigingsrecht beschermd en kunnen wij dit arrest alleen maar beamen.

Wat is jouw ervaring met dit soort situaties? Stuur jij op voorhand de vragen toe aan de rechter-commissaris? Of verzet je je daartegen en komt dit arrest van de Hoge Raad als geroepen?

Geen reacties

Plaats een reactie