#419: Preaching to the converted

De witwasbepalingen zijn een welkom wapen voor het Openbaar Ministerie. In veel fraudezaken komt een verdenking van witwassen voor, bij voorkeur een verdenking van witwassen met een ongeïdentificeerd gronddelict. In dat geval mag op basis van de ontstane jurisprudentie van de verdachte verlangd worden dat hij een verklaring geeft over de herkomst van het vermogen. Hoewel het Openbaar Ministerie dat nog wel eens lijkt te vergeten, betekent dat niet dat de verdachte bewijs voor zijn onschuld dient aan te leveren. En het betekent ook niet dat het Openbaar Ministerie in dergelijke onderzoeken achterover kan leunen, zoals wij al schreven in Vaklunch #411. Nee, het Openbaar Ministerie dient zelfstandig onderzoek te doen.

Dat vindt ook Rechtbank Rotterdam. In het zeer lezenswaardige vonnis van 22 maart 2021 staat de rechtbank stil bij het in de jurisprudentie ontwikkelde toetsingskader voor witwassen met een ongeïdentificeerd gronddelict. Het Openbaar Ministerie nam het standpunt in dat de verklaring van de verdachte over de herkomst van het vermogen niet voldoende verifieerbaar is. Dat klinkt menig advocaat in de fraudepraktijk bekend in de oren. Dit roept het Openbaar Ministerie namelijk wel vaker. De gedachte dringt zich op dat het Openbaar Ministerie dat stelt om te voorkomen dat deze – conform het stappenplan van de Hoge Raad, zie Vaklunch #355 – de verklaring zou moeten onderzoeken of zelfs verderstrekkend onderzoek zou moeten doen.

De rechtbank vindt in dit specifieke geval dat de verifieerbaarheid van de verklaring van de verdachte “niet overhoudt”. Een deel is te onderzoeken, maar een concrete naam van de persoon van wie het geld is ontvangen ontbreekt. Toch oordeelt de rechtbank dat deze gedeeltelijke niet-verifieerbaarheid van de verklaring niet de doorslag geeft ‘dat het niet anders kan zijn dan dat het geld afkomstig is uit enig misdrijf’. Daarbij benadrukt de rechtbank – zeer terecht – dat het niet aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het geld niet van misdrijf afkomstig is.

De rechtbank behandelt vijf punten die zijn betrokken bij de beoordeling van de verklaring van de verdachte:

  1. Het niet geven van een voldoende verklaring over de herkomst van het geld, kan in samenhang met het bewijsvermoeden leiden tot de conclusie dat het niet anders kan dan dat het gaat om geld dat van misdrijf afkomstig is.
  2. Het bewijsvermoeden bestaat in dit geval voor een groot deel uit feiten en omstandigheden waar de verdachte geen weet van heeft. Daarover kan dus ook geen verklaring worden verlangd.
  3. De eisen aan de verifieerbaarheid van de verklaring hangen volgens de rechtbank samen met de concreetheid en waarschijnlijkheid ervan.
  4. Bij de beoordeling van de verklaring speelt ook een rol of de door de verdachte afgelegde verklaring mogelijk is gekleurd door informatie die de politie heeft prijsgegeven.
  5. In deze zaak blijkt dat er al verdachten in beeld waren die mogelijk betrokken zijn geweest bij de onderhavige feiten: volgens de rechtbank maakt dat “de nadruk leggen op de verifieerbaarheid van de verklaring van de verdachte voor een deel vragen naar de bekende weg is. Anders gezegd: nader onderzoek naar de herkomst van het geld mag niet alleen afhankelijk zijn van de verklaring van de verdachte.”

De punten die de rechtbank bij de overweging betrekt zijn in menig zaak van toepassing. Het is zeer welkom dat een rechtbank zich zo gedetailleerd uitlaat over de beoordeling van de verifieerbaarheid van de verklaring. Alleen op die manier kan het Openbaar Ministerie geprikkeld worden om niet te pas en te onpas te roepen dat de verklaring niet voldoende concreet en verifieerbaar is. Dat is immers mede afhankelijk van het overige beschikbare materiaal en van uit het onderzoek naar voren gekomen feiten en omstandigheden. Het Openbaar Ministerie kan dus niet zomaar “achterover leunen” in een dergelijk onderzoek, maar moet ook los van de verklaring van de verdachte onderzoek doen naar de herkomst van het vermogen.

Voor de advocatuur zal gelden dat deze beschouwing van de rechtbank wordt omarmd. Nadere overtuiging is niet nodig, dat zou preaching to the converted zijn. Nu het Openbaar Ministerie nog.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een (digitale) Vaklunch on demand.

Geen reacties

Plaats een reactie