#411: Géén omkering bewijslast in witwasonderzoeken

Het blijft in de praktijk lastig voor het Openbaar Ministerie om de bewijslast in witwaszaken niet om te draaien. Hoe magistratelijk ook, kennelijk biedt de jurisprudentie van de Hoge Raad (te) veel verleiding de bewijslast om te draaien als sprake is van een vermoeden van witwassen met een ongeïdentificeerd gronddelict. Helaas geldt dat ook voor sommige feitenrechters. Maar de Hoge Raad is duidelijk. Meer dan een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring mag niet worden verlangd van een verdachte. Als het Openbaar Ministerie op basis daarvan geen of onvoldoende nader onderzoek doet is maar een conclusie mogelijk: vrijspraak.

Het toetsingskader is duidelijk: indien geen rechtstreeks verband bestaat tussen het voorwerp en een delict dan kan het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”, toch bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Het feit dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd, betekent niet dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. Indien de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft, dan ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring. Het is vervolgens aan de rechter om te beoordelen of op basis van deze verklaring en het aanvullende onderzoek voldoende bewijsmiddelen aanwezig zijn om te concluderen dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

Het voorgaande betekent ook dat niet van de verdachte kan worden verlangd dat hij onderliggende stukken, zoals bankbescheiden, bij zijn verklaring verstrekt. Dat oordeelde de Hoge Raad al in het arrest van 18 december 2018. De Hoge Raad oordeelde dat het er in dat geval ook niet toe doet of de verdachte al dan niet de toezegging zou hebben gedaan om de stukken aan te leveren. Het mag simpelweg niet van de verdachte verwacht worden en belangrijker, het niet nakomen van die toezegging kan niet bijdragen aan enig bewijs van witwassen.

In het arrest van 2 februari 2021 herhaalt de Hoge Raad die lijn. In die zaak heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring gegeven over de herkomst van de verdachte stortingen. Hij heeft toegelicht dat sprake is van aflossingen van door hem contant opgenomen en uitgeleende geldbedragen. Daarnaast heeft hij toegelicht dat een deel gelden betreft uit een erfenis op een buitenlandse rekening, die hij daarvan heeft opgenomen en vervolgens heeft gestort. Hij heeft ook verklaard dat de bankafschriften in het dossier incompleet zijn, omdat daaruit niet de contante opnames blijken en dat de bankafschriften van de buitenlandse rekening ontbreken.

Het hof oordeelde dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring over de herkomst van de bedragen heeft gegeven, omdat hij de bankafschriften en kwitanties niet heeft overgelegd. De Hoge Raad oordeelt dat het hof zijn oordeel niet voldoende heeft gemotiveerd, omdat de verklaring van verdachte wel concreet was en het mogelijk was daarnaar nader onderzoek te doen. De Hoge Raad concludeert dat het oordeel van het hof niet toereikend is gemotiveerd en wijst de zaak terug naar het hof.

Helaas staat deze gang van zaken niet op zichzelf. In de praktijk gaat het Openbaar Ministerie heel ver in de omvang van de verklaring die van de verdachte wordt verlangd. Het Openbaar Ministerie hanteert – helaas – te vaak een te ruime en onjuiste interpretatie van de jurisprudentie. Bovendien leidt het in de praktijk tot onnodige procedures, die helaas soms tot de Hoge Raad (en weer terug) gaan om het recht te halen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

 

Geen reacties

Plaats een reactie