#355: Het struikelblok ‘afkomstig uit enig misdrijf’

Het bestanddeel ‘afkomstig uit enig misdrijf’ van het delict witwassen blijft voor de nodige jurisprudentie zorgen. Ook al heeft de Hoge Raad reeds eerder een helder stappenplan uitgeschreven over de werkwijze als het gaat om een onbekend gronddelict bij witwassen; het toetsingskader leidt nog altijd tot problemen. Maar de Hoge Raad blijft blijkens een recent arrest standvastig en consequent het toetsingskader toepassen.

In het eerdere arrest van 18 december 2018 heeft de Hoge Raad over het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”, zoals dat voorkomt in de witwasbepalingen (art. 420bis e.v. Sr), het volgende overwogen:

  1. Indien geen rechtstreeks verband bestaat tussen het voorwerp en een delict dan kan het bestanddeel “afkomstig is uit enig misdrijf”, toch bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
  2. Het is aan het Openbaar Ministerie om bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden.
  3. Indien de door het Openbaar Ministerie aangedragen feiten en omstandigheden een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
  4. Het feit dat zo een verklaring van de verdachte mag worden verlangd betekent niet dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
  5. Indien de verdachte een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft, dan ligt het op de weg van het Openbaar Ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.

Het is vervolgens aan de rechter om te beoordelen of op basis van deze verklaring en het aanvullende onderzoek kan worden bewezen dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.

In deze zaak gaat het om de situatie dat de verdachte wordt aangehouden met een cash bedrag van € 650,-. In eerste instantie doet dit geen wenkbrauwen fronzen. De vraag is echter of de omstandigheden waaronder een dergelijk bedrag wordt aangetroffen kunnen meewegen in het bewijs dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is zoals beschreven in stap 1. Het bedrag van € 650,- was namelijk bij deze verdachte aangetroffen, terwijl bij hem ook verschillende bolletjes cocaïne werden aangetroffen. De Hoge Raad oordeelt dat het Hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld dat deze omstandigheden het vermoeden rechtvaardigen dat het geldbedrag afkomstig is uit enig misdrijf.

De verdachte heeft echter een verklaring gegeven over de herkomst van het geld. Niettemin veroordeelt het Hof de verdachte voor witwassen omdat de verdachte geen stukken heeft overgelegd waaruit de legale herkomst zou blijken. De Hoge Raad steekt hier echter een stokje voor. Het Hof had namelijk moeten beoordelen of de verklaring concreet verifieerbaar en niet op voorhand onwaarschijnlijk is. Het is namelijk niet aan de verdachte om stukken te overleggen waaruit de legale herkomst zou moeten blijken. Dat gaat een stap te ver en zou de bewijslast ten onrechte bij de verdachte neerleggen. De bewijslast blijft volgens het toetsingskader bij het Openbaar Ministerie liggen en de Hoge Raad ziet daar scherp op toe.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

Geen reacties

Plaats een reactie