#331: Una via: één weg

In Vaklunch #326 schreven wij over het herleven van het una via-beginsel naar aanleiding van het arrest van het Hof Den Bosch van 4 juni 2019. In deze zaak werd het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging voor het onjuist doen van aangiften omzetbelasting omdat voor die tijdvakken reeds verzuimboetes waren opgelegd voor het niet (tijdig) indienen van de aangiften op basis van artikel 67b AWR en voor het niet (tijdig) voldoen van belasting die op aangifte moet worden voldaan op basis van artikel 67c AWR. In de uitspraak van 23 juli 2019 besteedt de rechtbank Rotterdam ook aandacht aan het una via-beginsel.

In deze zaak had de Belastingdienst verzuimboetes opgelegd bij de aanslagen inkomstenbelasting/premies volksverzekeringen over 2011 tot en met 2013 voor het niet of te laat indienen van de aangiften. Dit feit staat nu ook op de tenlastelegging. Nu er geen nieuwe bezwaren zijn aangevoerd door het Openbaar Ministerie noch daar een machtiging voor is gekregen van de rechter-commissaris oordeelt de rechtbank dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Vrij rechttoe rechtaan aldus.

De verdachte wordt echter ook verweten dat hij de aangifte inkomstenbelasting over de jaren 2013 en 2014 onjuist heeft ingediend. Ten aanzien van deze feiten oordeelt de rechtbank dat de verzuimboetes niet zien op dezelfde feiten. Het niet doen van de aangifte (of te laat) zou in juridische aard verschillen van het onjuist doen van die aangifte. De vraag is of dit oordeel in lijn is met de Europese jurisprudentie. In het arrest Zolotukhin v. Rusland heeft het Europese Hof immers geoordeeld dat de toets of sprake is van hetzelfde feit afhankelijk is van de ‘set of concrete factual circumstances involving the same defendant and inextricably linked together in time and space’.

Deze toets zien wij op geen enkele manier terugkomen in het vonnis van de rechtbank Rotterdam. Verder heeft de verdediging aangevoerd dat het vertrouwensbeginsel in de weg staat aan de vervolging van het onjuist doen van de aangifte(n) omzetbelasting over het jaar 2016 omdat over de periode 2012 tot en met 2015 bestuurlijke boetes waren opgelegd. Hier is uiteraard wat voor te zeggen. Waarom zou de overheid het ene jaar anders behandelen dan het andere jaar?

Ook hier besteedt rechtbank Rotterdam nauwelijks woorden aan en stelt enkel vast dat het una via beginsel niet van toepassing is nu de boetes zijn opgelegd ten aanzien van een ander tijdvak. Wat ons betreft gaat de rechtbank hier veel te kort door de bocht. Het beroep op het vertrouwensbeginsel wordt geenszins aan de orde gesteld. Het lijkt erop dat de overheid aan cherry picking doet. Ten aanzien van een viertal jaren worden hoge boetes opgelegd en een paar tijdvakken worden er ook nog uitgepikt om een strafrechtelijk voorbeeld te stellen. Wij menen dat ook deze praktijken beschermd zouden moeten worden door het una via beginsel dan wel het vertrouwensbeginsel. Met andere woorden: kies als overheid één weg.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie