#326: Eén weg leidt naar Rome

Ten behoeve van de rechtszekerheid kan een strafrechtelijke vervolging niet samen gaan met een bestuurlijke beboeting voor hetzelfde fiscale delict. Het una via-beginsel dwarsboomt de bestuurlijke beboeting als de strafrechtelijke vervolging is aangevangen en vice versa. Helaas blijkt het una via-beginsel in de praktijk aan betekenis te verliezen. Dat concludeerden wij onder meer in Vaklunch #165. Toch gloort er dankzij Gerechtshof Den Bosch hoop aan de horizon.

Het una via-beginsel is zowel in het Wetboek van Strafvordering (Sv) als in de Algemene Wet op het Bestuursrecht (Awb) vastgelegd. De mogelijkheid om een boete op te leggen vervalt op basis van artikel 5:44 lid 1 Awb wanneer de belasting- of inhoudingsplichtige vanwege hetzelfde feit strafrechtelijk wordt vervolgd. Voor de omgekeerde situatie geldt dat bevoegdheid voor het instellen van strafvervolging vervalt als reeds een bestuurlijke boete is opgelegd op basis van artikel 243, lid 2, Sv.

In het arrest van 4 juni 2019 oordeelde Hof Den Bosch over de vraag of het una via-beginsel geschonden was. In die zaak werd de verdachte onder meer vervolgd op grond van artikel 69, lid 1, Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR), voor het opzettelijk niet (tijdig) doen van een bij de belastingwet voorziene aangifte. De verdachte belastingplichtige had echter al een verzuimboete ontvangen voor het niet (tijdig) indienen van de aangifte op basis van artikel 67b AWR en voor het niet (tijdig) voldoen van belasting die op aangifte moet worden voldaan op basis van artikel 67c AWR. Het ging zowel bij de strafrechtelijke vervolging als de boetes om een aangifte omzetbelasting voor het eerste kwartaal 2015.

Het Openbaar Ministerie heeft het standpunt ingenomen dat de verzuimboete en de strafvervolging niet op hetzelfde feit zouden zien. Uit de reactie van de verdediging kan worden opgemaakt dat het Openbaar Ministerie ook als argument heeft aangevoerd dat de schuldgradaties in het geval van een verzuimboete en strafrechtelijke vervolging afwijken. De verdediging heeft aangevoerd dat dat voor de vraag of sprake is van hetzelfde feit niet uitmaakt.

Het Hof is er helder over: De aangifte omzetbelasting en het bedrag aan omzetbelasting dat moet worden voldaan zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. De aangifte en de betaling vinden in de regel tegelijkertijd plaats op hetzelfde moment. Om die reden is het Hof van oordeel dat ‘in het onderhavige geval het niet voldoen van de (materieel wel verschuldigde) omzetbelasting en het niet indienen van de aangifte omzetbelasting zodanig met elkaar in verband staan dat met betrekking tot de gelijktijdigheid van de gedragingen van de verdachte en met betrekking tot de wezenlijke samenhang in handelen en schuld’ sprake is van hetzelfde feit als waarvoor de verdachte strafrechtelijk vervolgd wordt.

Het Openbaar Ministerie heeft nog aangevoerd dat sprake is van nieuwe bezwaren in de zin van artikel 255 Sv om de verdachte alsnog strafrechtelijk te vervolgen. De nieuwe bezwaren zouden bestaan uit  de informatie die na het opleggen van de verzuimboetes via de getuigenverklaringen en ambtshandelingen in het strafrechtelijk onderzoek naar voren is gekomen. Ook hier maakt het Hof korte metten mee. Het Openbaar Ministerie beschikte niet over een machtiging van de rechter-commissaris om op basis van nieuwe bezwaren een strafrechtelijk onderzoek te starten, zoals vereist in artikel 255 Sv.

Het Hof verklaart het Openbaar Ministerie gelet op het voorgaande – ons inziens geheel terecht – niet-ontvankelijk in de vervolging van de verdachte voor zover er reeds boetes waren opgelegd.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie