#673: Dezelfde panden, dezelfde verdachte, dezelfde uitkomst? Ne bis in idem in actie

In het strafrecht geldt het adagium dat niemand tweemaal voor hetzelfde feit mag worden vervolgd. Artikel 68 Sr verankert dit ne bis in idem-beginsel, een fundamentele waarborg tegen dubbele vervolging. Maar wanneer is sprake van ‘hetzelfde feit’? Die vraag klinkt eenvoudig, maar de praktijk leert dat het antwoord dat allerminst is. Het hof Amsterdam boog zich recent over een zaak waarin deze vraag centraal stond, en verklaarde het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van zowel een natuurlijke persoon als diens bedrijf. De achtergrond van deze uitspraak voert terug naar een grootschalig strafrechtelijk onderzoek dat ruim vijftien jaar geleden werd afgerond.

In het onderzoek Kolbak werd de verdachte, een natuurlijke persoon, vervolgd wegens gewoontewitwassen van onroerend goed op de Amsterdamse Wallen over de periode 1 januari 2002 t/m 30 januari 2006. De tenlastelegging was gebaseerd op de b-variant van artikel 420bis Sr: het verwerven en voorhanden hebben van voorwerpen afkomstig uit afpersing, althans uit enig misdrijf. In juli 2009 werd de verdachte vrijgesproken: volgens het hof kon niet worden vastgesteld dat de voorwerpen en Wallenpanden een criminele herkomst hadden. De strafzaak tegen zijn bedrijf werd geseponeerd.

Jarenlang bleef het stil, totdat het OM onderzoek Terrel startte. De verdachte en zijn bedrijf werden opnieuw gedagvaard voor witwassen van dezelfde panden, nu over de periode 2006-2023. Het OM koos voor de a-variant: het verhullen van de rechthebbende. Bovendien werd de verdachte vervolgd als feitelijk leidinggever in plaats van pleger, en werd de criminele herkomst gezocht in losgeld uit een ontvoering in 1983. De rechtbank achtte het OM ontvankelijk, maar sprak vrij. Het OM ging in hoger beroep.

Het hof paste het standaardarrest van de Hoge Raad van 1 februari 2011 toe, dat voorschrijft dat twee factoren moeten worden beoordeeld: de juridische aard van de feiten en de gedragingen van de verdachte. Wat betreft de juridische aard constateerde het hof dat beide zaken witwassen betroffen met hetzelfde strafmaximum en beschermde rechtsgoed. Het verschil tussen de a-variant en de b-variant was onvoldoende om te concluderen dat de juridische aard uiteenliep.

De feitelijke beoordeling bracht het hof tot een heldere conclusie: de tenlastelegging had betrekking op exact dezelfde Wallenpanden. De door het OM aangevoerde verschillen – langere pleegperiode, andere witwasvariant, vervolging als feitelijk leidinggever, andere criminele herkomst – wogen onvoldoende zwaar in de ne bis in idem-toets. Het hof verwierp de door de rechtbank gehanteerde maatstaf dat deze factoren tezamen een ‘aanzienlijk verschil’ opleverden; die maatstaf vindt geen steun in het recht.

Cruciaal was het onherroepelijke oordeel uit juli 2009: de criminele herkomst van de panden was niet bewezen. De kern van witwassen was in beide zaken identiek, en de positie van de verdachte ook. Voor zijn bedrijf gold dat het ne bis in idem-beginsel niet rechtstreeks van toepassing was na een sepot, maar het hof achtte de vervolging in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde. Het doel van het OM bij de vervolging van de rechtspersoon was duidelijk de verbeurdverklaring van de panden; hetgeen de natuurlijke persoon direct in zijn vermogen raakt.

De beoordeling van het hof kunnen wij goed volgen: wanneer een strafrechter onherroepelijk heeft geoordeeld over een essentieel bestanddeel van de delictsomschrijving – hier de criminele herkomst van de Wallenpanden – kan het OM niet via een cosmetisch aangepaste tenlastelegging alsnog hetzelfde verwijt vervolgen. De door de rechtbank gehanteerde ‘aanzienlijk verschil’-maatstaf wordt terecht verworpen: het stapelen van verschillen die elk afzonderlijk onvoldoende gewicht in de schaal leggen, maakt de vervolging niet alsnog toelaatbaar. Ook de bescherming van de rechtspersoon past in deze lijn. Waar de verdachte als enig aandeelhouder en bestuurder feitelijk de enige is die door de vervolging wordt getroffen, en het doel evident de verbeurdverklaring van zijn vermogen is, mag de vennootschapsrechtelijke sluier niet dienen als omweg om een vrijgesproken verdachte alsnog te raken. De boodschap is helder: het ne bis in idem-beginsel is geen formaliteit, maar een fundamentele waarborg, die ook standhoudt wanneer het OM met nieuwe juridische constructies een tweede poging waagt.

Heb je hier vragen over of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact met ons op via [email protected].

No Comments

Post a Comment