#670: Het Trojaanse paard in cryptocommunicatie en Landeck als papieren tijger
In een recent arrest van het hof ’s-Hertogenbosch van 6 mei 2026 staat de bruikbaarheid van ANØM-data centraal. ANØM betreft een cryptocommunicatiedienst die onder regie van Amerikaanse opsporingsdiensten is opgezet in het kader van ‘Operation Trojan Shield’. Het doel van deze operatie was om de georganiseerde criminaliteit te bestrijden door versleutelde telefoons te distribueren en op die manier inzicht te verkrijgen in de communicatie van de gebruikers. In totaal zijn binnen dit onderzoek 27 miljoen berichten onderschept, waarbij zo’n 530 toestellen in Nederland zouden zijn gebruikt voor communicatie over ernstige strafbare feiten. Naar aanleiding van deze bevindingen is het Openbaar Ministerie op 26 maart 2021 het onderzoek 26Eagles gestart.
De data hebben in voornoemde zaak van het hof Den Bosch geleid tot een veroordeling voor grootschalige productie en export van amfetamine. Twee elementen verdienen wat ons betreft nadere aandacht. Ten eerste het standpunt van de verdediging dat de Nederlandse autoriteiten betrokken waren bij de verkrijging van de data, waardoor de verdediging haar recht is ontnomen de rechtmatigheid te toetsen (artikel 6 EVRM). Ten tweede de vaststelling door het hof dat de ANØM-data door Nederlandse opsporingsambtenaren zijn verwerkt zonder voorafgaande rechterlijke machtiging, terwijl dit gelet op het Landeck-arrest van het HvJ EU van 4 oktober 2024 wel vereist was.
De verdediging voerde aan dat het OM de verdediging jarenlang onjuist had geïnformeerd over de betrokkenheid van de Nederlandse politie. Onder verwijzing naar een boek van een Amerikaanse onderzoeksjournalist en uitlatingen van politiefunctionarissen in de pers, stelde de verdediging dat Nederlandse opsporingsambtenaren al sinds de zomer van 2020 toegang hadden tot het Amerikaanse systeem waarin de ANØM-data werd geüpload: dus vóór de officiële ‘spontane verstrekking’ vanaf 23 maart 2021. Het hof wees de verzoeken tot het horen van getuigen af en oordeelde dat een journalistiek boek en persmededelingen ‘onvoldoende gewicht’ leggen tegenover de officiële processuele gang van zaken.
Ten aanzien van de verkrijging van de data hanteert het hof het interstatelijk vertrouwensbeginsel als schild. Gelet op het uitgangspunt dat de ANØM-data spontaan door de Amerikanen zou zijn verstrekt – zonder voorafgaand Nederlands rechtshulpverzoek – behoort het niet tot de taak van de Nederlandse rechter om te toetsen of de verkrijging naar Litouws of Amerikaans recht rechtmatig was. Daarbij wordt door het hof in overweging genomen dat noch in Litouwen, noch in de VS onherroepelijk vast is komen te staan dat de verkrijging van de ANØM-data niet volgens de aldaar geldende regels is verricht. En zelfs als Nederland eerder toegang had tot de betreffende data, doet dat volgens het hof aan het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet af.
Bij de verwerking en analyse van de ANØM-data door Nederlandse opsporingsambtenaren komt het hof tot een andere conclusie. Het hof erkent dat voor de verwerking van deze data, waarmee inzicht kon worden verkregen in verkeers- en locatiegegevens, foto’s en communicatie-inhoud, voorafgaande rechterlijke toetsing vereist was. Deze machtiging ontbrak. Het hof verwijst daarbij naar het Landeck-arrest van het HvJ EU van 4 oktober 2024, waaruit volgt dat voor een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer rechterlijke toetsing noodzakelijk is (zie ook Vaklunch #639).
Het hof constateert vervolgens een vormverzuim, maar verbindt daar geen rechtsgevolgen aan. Dit oordeel wordt onderbouwd met het argument dat het Landeck-arrest ten tijde van het onderzoek nog niet was gewezen, en de overweging dat de politie zorgvuldig te werk is gegaan met gerichte zoektermen. Ook wordt relevant geacht dat de verdachte ANØM nagenoeg uitsluitend voor criminele communicatie gebruikte.
Dit arrest illustreert de spanning tussen effectieve opsporing en rechtsbescherming. Enerzijds worden de grenzen uit HvJ EU Landeck formeel erkend. Anderzijds lijkt deze erkenning weinig praktische betekenis te hebben wanneer gaten worden gedicht met overwegingen over het zorgvuldige werk van de politie, terwijl die informatie slechts blijkt uit een algemene brief van het Landelijk Parket. De overweging dat de cryptocommunicatiedienst voornamelijk voor criminele communicatie is gebruikt, draagt bovendien niet bij aan een toetsing in het individuele geval. Het enkele feit dat een extractie is gemaakt van de volledige telefoon en de politie toegang heeft gehad tot alle gegevens, is wat ons betreft voldoende om te concluderen dat sprake is van een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer, waarvoor voorafgaande rechterlijke toetsing vereist was.
Ook de afwijzing van de onderzoekswensen van de verdediging met betrekking tot de verkrijging van de ANØM‑data roept vragen op. Het hof heeft nagelaten de verdediging in staat te stellen nader onderzoek te doen naar concrete aanwijzingen die wijzen op een eerdere betrokkenheid van Nederlandse autoriteiten. Door deze onderzoekslijn af te snijden, wordt de mogelijkheid om de rechtmatigheid van de gegevensverkrijging effectief te toetsen in feite illusoir. Dat het hof oordeelt dat een eventuele eerdere verkrijging de toepasselijkheid van het vertrouwensbeginsel onverlet laat, doet hieraan niet af. Juist de door de verdediging aangevoerde omstandigheden onderstrepen dat het optreden van politie en OM wordt gekenmerkt door een gebrek aan transparantie en openheid van zaken, waardoor een wezenlijke controle op de rechtmatigheid van de opsporing wordt bemoeilijkt.
Heb je hier vragen over of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact met ons op via [email protected].

No Comments