#668 Beperkt onderbouwde en niet-tijdige getuigenverzoeken post-Keskin: geen showstopper
Begin dit jaar spraken wij naar aanleiding van een arrest van de Hoge Raad de hoop uit op goede voornemens in 2026 ten aanzien van verdedigingsverzoeken tot het horen van belastende getuigen (#654). Hoewel veel goede voornemens al vroeg in het jaar sneuvelen, zet de Hoge Raad met een recent arrest wat ons betreft de positieve lijn door bij de toepassing van de Keskin-doctrine.
De zaak in kwestie ging om een afgewezen verdedigingsverzoek tot het horen van belastende getuigen. Dit verzoek was door de verdediging gedaan ter terechtzitting in hoger beroep. De verdediging had zich hierbij beroepen op de Keskin-doctrine: aangezien het ging om belastende getuigen was het belang voor de verdediging om deze getuigen te horen in beginsel gegeven, aldus de verdediging. Het hof oordeelde echter anders. Het hof paste niet de Keskin-doctrine toe (het verdedigingsbelang), maar het noodzakelijkheidscriterium. Hieraan legde het Hof ten grondslag dat niet binnen twee weken na het instellen van hoger beroep een verzoek was ingediend en dat evenmin door de verdediging aan het hof was ‘voorgehouden’ om in een later stadium een verzoek in te dienen.
Aan de hand van het noodzakelijkheidscriterium wijst het hof het verdedigingsverzoek af. Deze afwijzing is enerzijds gebaseerd op een in de ogen van het hof ‘zeer beperkte onderbouwing’. Anderzijds meent het hof dat de voorhanden zijnde processtukken voldoende duidelijk zijn. Deze twee uitgangspunten maken volgens het hof dat er geen noodzaak is om de getuigen te horen. Daar komt bij dat het verdedigingsverzoek volgens het hof in een eerdere fase van het proces had moeten worden ingediend. Dat de verdediging dit heeft nagelaten, is volgens het hof in strijd met de procesorde. Daarbij weegt het hof mee dat de raadsvrouw in de ogen van het hof geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor het pas ter zitting indienen van onderzoekswensen. Tot slot overweegt het hof dat de Keskin-doctrine onder de gegeven omstandigheden niet in de weg staat aan de afwijzing van het verdedigingsverzoek.
De Hoge Raad gaat hier echter niet in mee. De Hoge Raad neemt in aanmerking dat de verdachte het tenlastegelegde feit betwist, dat sprake is van de belastende verklaringen van de betreffende getuigen en dat de bewezenverklaring mede is aangenomen op grond van de door de verdachte betwiste verklaringen, zonder dat de verdediging deze getuigen heeft kunnen ondervragen. Tevens heeft het hof er geen blijk van gegeven te hebben getoetst of de procedure als geheel voldoet aan het recht op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. Ten aanzien van de timing van het verzoek overweegt de Hoge Raad dat uit niets blijkt dat de verdediging desgevraagd uitdrukkelijk zou hebben gesteld geen getuigenverzoeken te hebben. Ook neemt de Hoge Raad in acht dat de verdediging in een eerder stadium van de hoger beroep-fase niet uitdrukkelijk is gevraagd of zij onderzoekswensen had. Tot slot merkt de Hoge Raad onder verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak op, dat is nagelaten de verdediging erop te wijzen dat het niet opgeven van onderzoekswensen zou worden opgevat als het niet hebben van zulke wensen, waarbij ook nog van belang is of en zo ja hoe de verdediging daarop zou hebben gereageerd. De zaak wordt dan ook deels vernietigd en terugverwezen naar het hof.
Wat ons betreft is de boodschap van de Hoge Raad helder. In deze zaak zijn belastende verklaringen afgelegd op basis waarvan de bewezenverklaring mede is aangenomen. Die verklaringen worden door de verdachte betwist, terwijl de verdediging de betreffende getuigen niet heeft kunnen ondervragen. Op het moment dat de mogelijkheid om die getuigen alsnog te horen wordt weggenomen, dient te worden onderzocht of de procedure desondanks voldoet aan het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Ten aanzien van de tijdigheid van het verzoek geldt dat de verdediging niet eerder in de procedure te kennen heeft gegeven geen getuigenverzoeken te hebben – en daar is ook niet naar gevraagd. De getuigenverzoeken kunnen dan ook niet met een beroep op niet-tijdigheid van de hand worden gewezen. Wij zien dit arrest als een krachtig signaal vanuit de Hoge Raad waarmee het fundamentele belang van de Keskin-doctrine wordt onderstreept. Wat ons betreft biedt deze bevestiging dan ook waardevolle houvast voor de omgang met getuigenverzoeken, zowel voor de verdediging als voor de rechtspraak.
Heb je hier vragen over of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met ons op via [email protected].

No Comments