#654: Het verdedigingsrecht om belastende getuigen te horen: goede voornemens voor 2026
Het Keskin-arrest van het EHRM en het Post-Keskin-arrest van de Hoge Raad hebben in 2021 behoorlijk wat stof doen opwaaien met betrekking tot de motivering van een verzoek van de verdediging om een belastende getuige te horen. In de kern komt de Keskin-doctrine erop neer dat bij een verzoek om een belastende getuige te horen, het belang hierbij voor de verdediging is gegeven en derhalve in beginsel niet hoeft te worden gemotiveerd. Een beperking van het ondervragingsrecht is slechts toelaatbaar als de overall fairness van de procedure blijft gewaarborgd.
In een recent arrest van de Hoge Raad was zo’n verdedigingsverzoek tot het horen van belastende getuigen aan de orde. In hoger beroep had het hof dit verzoek voor een aantal van de getuigen afgewezen, nu deze personen ‘soortgelijke verklaringen hadden afgelegd als de toegewezen getuigen’ en volgens het hof ‘gesteld nog gebleken was dat deze personen wezenlijk anders zouden kunnen verklaren dan de toegewezen getuigen’. Daarmee was volgens het hof voldoende tegemoetgekomen aan de onderzoekswensen van de verdediging en zou de verdediging niet in zijn belangen zijn geschaad met deze gedeeltelijke afwijzing.
De Hoge Raad maakt korte metten met deze redenering van het hof. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de bewezenverklaring mede is gegrond op de door de verdachte betwiste verklaringen van de niet gehoorde getuigen, zonder dat het hof er blijk van heeft gegeven te hebben nagegaan of de procedure in zijn geheel de artikel 6 EVRM-toets doorstaat. Hierbij verwijst de Hoge Raad naar zijn eigen Post-Keskin-jurisprudentie.
Ten overvloede gaat de Hoge Raad nog in op de timing van een verzoek tot het horen van getuigen en de gevolgen daarvan voor de ontvankelijkheid van zo’n verzoek. Het kan voorkomen dat ter terechtzitting door de verdediging een verzoek tot het horen van getuigen wordt gedaan, maar dat verzoek op een volgende terechtzitting niet wordt herhaald. Volgens de Hoge Raad brengt dit niet per definitie met zich mee dat het belang bij een cassatieklacht over de afwijzing van zo’n verzoek ontbreekt.
De Hoge Raad noemt vervolgens een voorbeeld waarbij het belang bij zo’n cassatieklacht wél ontbreekt: dit is het geval wanneer de rechter bij de afwijzende beslissing op het verzoek te kennen geeft dat hij zich onvoldoende ingelicht acht om het verzoek te kunnen toewijzen. In zo’n geval mag volgens de Hoge Raad van de verdediging worden verwacht dat het verzoek wordt herhaald. Laat de verdediging dit na, dan kan de consequentie zijn dat het verzoek wordt afgewezen wegens gebrek aan belang.
Het voorgaande leert ons dat de Keskin-doctrine ook geldt wanneer in de ogen van de rechter reeds getuigen met ‘soortgelijke’ verklaringen worden gehoord. Zodra een bewezenverklaring mede wordt gestoeld op de door de verdediging betwiste verklaringen van niet gehoorde getuigen, is dit in beginsel in strijd met artikel 6 EVRM. In zo’n geval zou de procedure als geheel weliswaar nog de artikel 6 EVRM-toets kunnen doorstaan, maar de rechter moet er in zijn uitspraak dan wel blijk van geven dit te hebben onderzocht.
Al met al kunnen wij ons goed vinden in dit arrest van de Hoge Raad. Wat ons betreft kan dit arrest dan ook zeker aanleiding geven tot goede voornemens in 2026 als het gaat om de omgang met verdedigingsverzoeken tot het horen van belastende getuigen.
Heb je hier vragen over of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met ons op via [email protected].

Mariette Timmer
8 januari 2026 at 07:59Zie ook ECLI:EU:C:2022:965 (08-12-2022, C-348/21; uitlegging 2016/343) waarin het Luxemburgse Hof het recht om getuigen te horen afleidt uit het recht om ter zitting aanwezig te zijn (het Straatsburgse Hof deed dat andersom in Colozza t Italie, 9024/80).
Zie verder conclusie Ćapeta (25-05-2023, ECLI:EU:C:2023:436, C-175/22) waarin duidelijk wordt gemaakt waarom een beroep in strafzaken op unierecht zoden aan de dijk zet (ov 53 en verder)