#666: Het ‘niet hoogst onwaarschijnlijk’-criterium: een dubbeltje op zijn kant

Strafrecht is behalve maatwerk ook mensenwerk. En zelfs op het hoogste juridische niveau komt het voor dat over een feitencomplex verschillend wordt gedacht. Zo ook in een recente beschikking van de Hoge Raad over een klaagschrift tegen een inbeslaggenomen motorfiets. De vraag lag voor of het ‘niet hoogst onwaarschijnlijk’ was dat de later oordelende strafrechter de motorfiets verbeurd zou verklaren. Hoewel de AG had geconcludeerd dat de motivering van de beslagrechter bij de (ontkennende) beantwoording van deze vraag ontoereikend was, oordeelde de Hoge Raad anders.

In deze zaak had de politie iemand met een motorfiets een aantal verkeersregels zien overtreden (wheelie maken, stopteken negeren en over het fietspad rijden). Terwijl de agenten op zoek waren naar de bestuurder van de motorfiets, kwamen ze de betreffende motor tegen in een voortuin. De agenten hebben vervolgens aangebeld bij de bijbehorende woning en tegen de bewoner gezegd “Wij zoeken de meneer die net op de motor zat (…) je broertje met het witte T-shirt, die willen we hebben.” Toen de bewoner vervolgens niet meewerkte en aangaf dat zijn broertje niet aanwezig was, hebben de agenten de motor inbeslaggenomen. Dat de bestuurder van de motor iemand anders was dan de eigenaar van de motor stond in cassatie niet ter discussie. Het ging erom of de motor-eigenaar zijn motor terug mocht krijgen, waarmee door een ander verkeersovertredingen waren begaan.

Als criterium om het beslag te laten voortduren is getoetst of het ‘niet hoogst onwaarschijnlijk was’ dat de later oordelende strafrechter de motorfiets zou verbeurdverklaren. Wanneer het namelijk niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter verbeurdverklaring van het betreffende voorwerp zal bevelen, vordert het belang van strafvordering (op grond van art. 94 Sv) dat het beslag voortduurt. Dit volgt uit standaardjurisprudentie van de Hoge Raad, ook schreven wie hier al eerder over in #22.

Verbeurdverklaring van een voorwerp dat aan iemand anders toebehoort dan de dader van een strafbaar feit, kan onder meer plaatsvinden wanneer de rechthebbende bekend was met het gebruik van dat voorwerp in verband met strafbare feiten, of dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden (op de voet van artikel 33a lid 2 sub a Sr). In onderhavige kwestie ging het dan ook om de vraag of de motor-eigenaar wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat de bestuurder met die motor strafbare feiten zou gaan plegen (verkeersovertredingen), met als gevolg dat de strafrechter de motor zou verbeurdverklaren.

Op dit punt verschillen de AG en de Hoge Raad in deze zaak van mening. De Hoge Raad leest de beslissing van de beslagrechter zo dat de klager (de eigenaar van de motorfiets), door geen medewerking te verlenen aan de politie, kennelijk heeft willen voorkomen dat door de politie zou worden onderzocht of de klager bekend was met het gebruik van de motor voor strafbare feiten dan wel dit gebruik redelijkerwijs kon vermoeden, en dat voorgaande ook uit het onderzoek zou kunnen volgen. De Hoge Raad komt dan ook tot de conclusie dat de beslagrechter toereikend heeft gemotiveerd dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende strafrechter de motor zal verbeurdverklaren. De AG meent echter dat in het geval de strafrechter later zou oordelen dat een ander dan de door de klager opgegeven persoon de bestuurder was, hiermee nog niet gezegd is dat de beslagrechter ook toereikend heeft gemotiveerd dat de klager wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de bestuurder de geconstateerde verkeersovertredingen zou begaan. Hierbij merkt de AG nog op dat de beslagrechter geen omstandigheden heeft vastgesteld die erop wijzen dat de klager er rekening mee had moeten houden dat de persoon die zijn motor gebruikte zich niet aan de verkeersregels zou houden.

De motivering van de AG kunnen wij goed volgen. Hoewel raadkamerprocedures tegen beslagen slechts een summier karakter hebben, is wat ons van belang te onderkennen dat ook binnen die marginale toetsing een zekere motivering mag worden verwacht van de veronderstelde wetenschap van de motor-eigenaar over de verkeersovertredingen van de bestuurder. Het enkele feit dat de klager geen medewerking verleende aan de politie, rechtvaardigt naar onze mening nog niet de conclusie dat hij wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat met zijn motor verkeersovertredingen zouden worden begaan. Zeker niet als er geen concrete omstandigheden worden vastgesteld die wijzen op bekendheid met het rijgedrag van de bestuurder.

Heb je hier vragen over of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op via [email protected].

No Comments

Post a Comment