#639: Het belang van privacy erkend!
Een forensische image van een iPhone ontsluit in één klap vrijwel het hele digitale leven van de gebruiker: niet alleen berichten en mediabestanden, maar ook metadata, locatie- en bewegingsgeschiedenis, gezondheidsdata en andere afgeleide informatie. Die gegevens zijn – ook als er niet specifiek naar wordt gezocht – beschikbaar op de drager en kunnen met (AI-)tools geautomatiseerd worden doorzocht en gecombineerd, waardoor patronen en verbanden zichtbaar worden die anders verborgen blijven. De gevoeligheid en reikwijdte van zulke datasets zijn lastig te overzien. Databescherming moet daarom een aandachtspunt zijn bij het eerste besluit over inbeslagname en bewaring van gegevensdragers.
Sinds het arrest Landeck van het Hof van Justitie en de koerswijziging van de Hoge Raad op 18 maart 2025 is duidelijk dat de waarborgen om de privacy te beschermen hoog liggen. Het recente arrest van 9 september 2025 zet daar een praktisch uitroepteken achter: een breed, volledig en geautomatiseerd onderzoek aan smartphones is in beginsel méér dan een beperkte inbreuk, en dus is voorafgaande rechterlijke toetsing aan de orde – behoudens echte spoed.
In de recente zaak draaide het om een verdachte in een strafzaak met drugs- en witwasverdenkingen. Ook stond deelname aan een criminele organisatie op de tenlastelegging. Bij de aanhouding en woningdoorzoeking werden meerdere smartphones in beslag genomen. De politie doorzocht de smartphones met toestemming van de officier van justitie. Daarbij werd gezocht op voor het strafrechtelijk onderzoek relevante informatie. Gezocht werd naar zaken die te maken hebben met de handel in verdovende middelen, het crimineel samenwerkingsverband, witwassen en de gebruiker van de telefoons. Concreet werd door de politie ook gezocht op zoektermen die te maken hadden met de aard van het onderzoek. Het hof oordeelde in hoger beroep dat geen min of meer compleet beeld van het privéleven was verkregen en dat de inbreuk beperkt was. Het hof vond dat hiervoor géén voorafgaande machtiging van de rechter‑commissaris nodig was. De Hoge Raad maakt daar korte metten mee: bij zo’n omvang en diepgang ligt een meer dan beperkte inbreuk voor de hand, van spoed blijkt niets, en de motivering dat geen toets van de rechter-commissaris nodig was, schiet tekort. De zaak moet terug.
In het arrest van 18 maart 2025 – waarover wij al eerder schreven in Vaklunch #631 – heeft de Hoge Raad, mede op basis van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Landeck, geoordeeld dat onderzoek aan elektronische gegevensdragers en geautomatiseerde werken, waaronder smartphones, in beginsel alleen zonder voorafgaande rechterlijke toetsing mag plaatsvinden als de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer als beperkt kan worden beschouwd. Van een beperkte inbreuk is geen sprake meer als op voorhand is te voorzien dat door het onderzoek inzicht wordt verkregen in verkeers- en locatiegegevens, foto’s, browsergeschiedenis, inhoud van communicatie of gevoelige gegevens. In dat geval is voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist, behalve in naar behoren gemotiveerde spoedeisende gevallen. Het Openbaar Ministerie wordt niet als onafhankelijk bestuursorgaan aangemerkt. Voor onderzoek dat slechts strekt tot identificatie van de gebruiker of enkele beperkte waarnemingen, is geen voorafgaande rechterlijke toetsing vereist.
Met het arrest van 9 september 2025 wordt duidelijk dat de enkele vaststelling van het hof dat geen compleet beeld is verkregen van het privéleven, onvoldoende is. De Hoge Raad benadrukt dat uit de vaststellingen van het hof niet blijkt dat het onderzoek aan de smartphones beperkt is gebleven tot bijvoorbeeld identificatie van de gebruiker of enkele beperkte waarnemingen. Het uitlezen van de telefoons, het gebruik van zoektermen en geautomatiseerde analyse wijzen eerder op een verdergaand onderzoek. In dat geval is een machtiging van de rechter-commissaris vereist, tenzij sprake is van een spoedeisend geval, wat uit het dossier moet blijken. Het achteraf wegklikken van privégevoelige informatie is geen vervanging voor voorafgaande rechterlijke toetsing.
De kaders die zijn geschetst door de Hoge Raad, schuurt met de dagelijkse praktijk in opsporingsonderzoeken. Standaard worden volledige device-extracties en forensische images als vertrekpunt genomen, gevolgd door brede, geautomatiseerde analyses met zoekprofielen die gaandeweg worden bijgesteld. Dat levert precies het type meer-dan-beperkte inmenging op waarvoor de Hoge Raad – in lijn met Landeck – voorafgaande rechterlijke toetsing verlangt. Het veelgehoorde verweer dat opsporingsambtenaren alleen relevante data hebben bekeken of privéapps hebben overgeslagen, is geen juridisch vangnet: filters achteraf zijn geen vervanging voor een machtiging van de rechter-commissaris. De boodschap is helder: voor onderzoek aan digitale gegevensdragers naar voor het strafrechtelijk onderzoek relevante informatie, is een machtiging van de rechter-commissaris vereist. Wil men desondanks een image maken, dan hoort er eerst een machtiging te liggen waarin doel, reikwijdte, datatypen, periode en zoekprofielen zijn afgebakend, met transparante verslaglegging van de uitvoering. Wij hopen dat de rechters-commissarissen deze taak serieus nemen, want het verzamelen en opslaan van data is tegenwoordig bijna de grootste inbreuk op je privacy die kan worden gemaakt. Ook al realiseren wij ons dat niet altijd.
Heb je vragen over dit onderwerp of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact met ons op via [email protected].

No Comments