#344: Wat beweegt iemand?

Vervolging voor oplichting in de zin van artikel 326 Wetboek van Strafrecht is bijna niet meer weg te denken uit de dagelijkse strafpraktijk. Ook in fraudezaken lijkt het Openbaar Ministerie dit commune delict graag in te zetten. Maar wanneer heeft iemand zich schuldig gemaakt aan oplichting?  Dat blijkt nog niet zo simpel als het lijkt. Met het overzichtsarrest van 20 december 2016 in de hand is duidelijk dat het bewijs kritisch moet worden beoordeeld. Niet alleen moet worden bewezen dat sprake is van een samenweefsel van verdichtsels, ook moet bewezen worden dat het ‘slachtoffer’ is bewogen tot afgifte van een goed. En dat bewijs is niet zomaar geleverd.

Bewezen moet worden dat het slachtoffer daadwerkelijk is bewogen tot afgifte van het goed door een oplichtingshandeling. Eerder schreven wij al over het uitvoerige arrest van Gerechtshof Amsterdam van 26 april 2017. In die zaak werd de betrokkene verdacht van oplichting door – kort gezegd – overeenkomsten te sluiten teneinde te beleggen in gebruiksrechten van appartementen, terwijl die belegging niet tot het beloofde resultaat zou leiden. Het Hof benadrukt dat de wetgever met de verschillende oplichtingsmiddelen heeft willen voorkomen dat civiele wanprestatie, het niet nakomen van een afspraak, als oplichting kwalificeert. Mogelijk ligt het strafbare feit verduistering dan meer in de rede.

Op dit punt is ook de conclusie van 15 oktober 2019 van mr. Aben interessant voor zover het ziet op het bestanddeel ‘bewegen tot afgifte van meerdere geldbedragen’ van het delict. In deze zaak is in cassatie geklaagd tegen de bewezen verklaring van dit bestanddeel. Het gaat om een algemeen directeur van een school. De school ontving maandelijks een bedrag voor personele kosten van het ministerie van OCW. Deze bedragen worden betaald als maandelijks voorschot. Deze bedragen zijn gebaseerd op ‘formatierekeneenheden’ die vervolgens weer zijn gebaseerd op het aantal leerlingen op een bepaald moment, zodat de school vervolgens zelf kan bepalen waar het geld voor wordt gebruikt.

In deze casus is het bepalen van de formatierekeneenheden gekoppeld aan opgevoerde dienstverbanden van derden, terwijl deze niet bestaan. Deze salarissen zijn vervolgens voor andere doeleinden te gebruiken. Zo is het geld onder meer gebruikt voor het ophogen van het salaris van de verdachte en het toekennen van een afscheidsbonus. Deze dienstverbanden zijn strijdig met de waarheid en kwalificeren als kunstgrepen volgens het Hof. Het Hof heeft bewezen verklaard dat deze kunstgrepen zijn aangewend om het ministerie te bewegen tot afgifte van de bedragen.

In cassatie is geklaagd dat niet bewezen kan worden verklaard dat de oplichtingsmiddelen hebben geleid tot afgifte van de geldbedragen door het ministerie van OCW. De bedragen werden namelijk als voorschot afgegeven en stonden los van enig dienstverband. Daarmee zouden de ‘kunstgrepen’ en ‘verdichtsels’ in deze casus dus niet tot afgifte van de bedragen door het ministerie hebben kunnen leiden. Het middel slaagt. Mr. Aben concludeert dat de toekenning van de formatierekeneenheden niet is gebaseerd op de dienstverbanden die zijn opgevoerd. Het voorschot werd op basis van andere gegevens bepaald.

Ons inziens trekt mr. Aben hier een terechte conclusie. Deze conclusie laat ook zien dat het zeker van belang is om steeds goed te blijven beoordelen of een causaal verband bestaat tussen de oplichtingshandeling en de afgifte van enig goed. Is het slachtoffer wel door de oplichtingshandelingen tot afgifte van enig goed bewogen? Wij kijken met belangstelling uit naar het oordeel van de Hoge Raad.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een Vaklunch on demand bij jou op kantoor.

Geen reacties

Plaats een reactie