#216: Knollen voor citroenen verkopen

Dat commune delicten terrein veroveren in (onder meer fiscale) fraudezaken is geen onbekend fenomeen. Een voorbeeld daarvan is dat valsheid in geschrifte en/of witwassen vaak ten laste wordt gelegd. De laatste tijd duikt ook het verwijt dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan oplichting in de zin van artikel 326 Wetboek van Strafrecht steeds vaker op. Maar dat blijkt nog niet zo simpel als het lijkt. Want wanneer is er nou sprake van oplichting? Dat heeft het Openbaar Ministerie ook niet altijd helder voor ogen. De Hoge Raad heeft daartoe eind vorig jaar een lezenswaardig en helder overzichtsarrest gewezen. Rechtbanken en hoven oordelen daardoor kritisch(er) in oplichtingszaken.

In de praktijk blijkt regelmatig onduidelijkheid te bestaan over de vraag wanneer sprake is van de in artikel 326 Wetboek van Strafrecht genoemde oplichtingsmiddelen: samenweefsel van verdichtsels, listige kunstgrepen of het aannemen van een valse naam of hoedanigheid en de samenhang daarvan. De Hoge Raad overweegt dat als belangrijk gemeenschappelijk kenmerk van de verschillende oplichtingsmiddelen kan worden genoemd dat de verdachte door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen bij een ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wil roepen teneinde daarvan misbruik te kunnen maken. Zo gaat het bij het gebruik van een samenweefsel van verdichtsels in de kern om gesproken of geschreven uitingen die bij de ander een of meer dan een enkele leugenachtige mededeling gebaseerde onjuiste voorstelling van zaken in het leven kunnen roepen (r.o. 2.3.2 van het overzichtsarrest). Bij listige kunstgrepen gaat het in vergelijkbare zin om meer dan een enkele misleidende feitelijke handeling die een onjuiste voorstelling van zaken in het leven kan roepen (r.o. 2.3.3 van het overzichtsarrest). Bij de oplichtingsmiddelen die bestaan uit het aannemen van een valse naam of een valse hoedanigheid gaat het erom dat het handelen van de verdachte ertoe kan leiden dat bij de ander een onjuiste voorstelling van zaken in het leven wordt geroepen met betrekking tot de ‘persoon’ van de verdachte (r.o. 2.3.4 van het overzichtsarrest).

Hieruit blijkt aldus dat een enkele leugen of een enkele misleidende feitelijke handeling niet voldoende is. Sinds het overzichtsarrest van de Hoge Raad lijkt met een kritischer blik naar het bewijs van oplichting te worden gekeken. Zo concludeerde Rechtbank Zeeland-West-Brabant op 27 maart jl. ook dat één onware mededeling niet voldoende is voor oplichting waardoor vrijspraak volgde. Ook Hof Den Bosch oordeelde op 29 maart jl. in een zelfde lijn.

Daarnaast moet het slachtoffer van de oplichting door het oplichtingsmiddel zijn bewogen tot afgifte van enig goed. Ook daarvan is niet zomaar sprake. In dat kader is het uitvoerige arrest van Gerechtshof Amsterdam van vorige week zeer lezenswaardig. In die zaak werd de betrokkene verdacht van oplichting door – kort gezegd – overeenkomsten te sluiten teneinde te beleggen in gebruiksrechten van appartementen, terwijl die belegging niet tot het beloofde resultaat zou leiden. Het Hof benadrukt dat de wetgever met de verschillende oplichtingsmiddelen heeft willen voorkomen dat civiele wanprestatie, het niet nakomen van een afspraak, als oplichting kwalificeert. Mogelijk ligt het strafbare feit verduistering dan meer in de rede. Ook is van belang om vast te stellen of op het vermeende oplichtingsmiddel – in dit geval onder meer het voorhouden dat de belegger inleg gegarandeerd terug krijgt en dat de ingelegde gelden geïnvesteerd worden in appartementen die zouden worden verhuurd – strijdig was met de waarheid. Het hof oordeelt echter dat er geen sprake van een oplichtingsmiddel is nu het gaat om toekomstige onzekere gebeurtenissen tot nakoming waartoe de wederpartij zich in een overeenkomst heeft verbonden.

Kortom, hier liggen kansen voor de verdediging. Steeds dient kritisch beoordeeld te worden of de ten laste gelegde oplichtingsmiddelen ook als zodanig kwalificeren en of het ‘slachtoffer’ door die oplichtingsmiddelen is bewogen tot afgiften van enig goed. Dat daarvan niet zomaar sprake is illustreert voornoemde jurisprudentie.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

1 Comment
  • dirk

    9 mei 2017 at 09:30 Beantwoorden

    Ha Dirk,

    lezenswaardig artikel over nieuwe JP oplichting met wat recente voorbeelden lagere rechtspraak in 2017.

    gr Helen

Plaats een reactie