#678: Het strafdossier als startpunt voor de naheffing, navordering en bestuurdersaansprakelijkstelling

In onze praktijk komen wij regelmatig tegen dat stukken uit een strafzaak door het Openbaar Ministerie met de Belastingdienst of de Ontvanger worden gedeeld. Het kan daarbij gaan om processen-verbaal met bevindingen van opsporingsambtenaren, getuigenverhoren of andere onderzoeksresultaten. Deze informatie vormt vaak genoeg het startpunt voor naheffings- of navorderingsaanslagen en bestuurdersaansprakelijkstellingen op grond van artikel 36 Invorderingswet 1990 (hierna: IW). Ook in gevallen waarin het strafrechtelijk onderzoek nog loopt en de zaak nog niet voor de rechter is gekomen. Een bijzonder fenomeen wat ons betreft, nu wordt uitgegaan van relateringen en aannames die als waarheid worden aangenomen – te danken aan de vrije bewijsleer binnen het bestuursrecht.

Het staat de autoriteiten vrij om onderling informatie te delen. Het OM deelt informatie met de Belastingdienst, en vice versa. De wettelijke grondslag voor deze informatie-uitwisseling is tweeledig. Op grond van artikel 39f Wjsg kan het OM strafvorderlijke gegevens verstrekken aan de Belastingdienst voor doeleinden buiten de strafrechtspleging, zowel actief als passief. De Wjsg schept een bevoegdheid, geen verplichting; het OM dient bij iedere verstrekking het zwaarwegend algemeen belang af te wegen tegen de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene en te toetsen aan proportionaliteit en subsidiariteit.

Daarnaast beschikt de Belastingdienst over artikel 55 AWR, dat overheidsorganen verplicht om desgevraagd gegevens te verstrekken aan de inspecteur en de Ontvanger. Artikel 55 AWR biedt daarmee een ruimere grondslag dan de Wjsg. In de praktijk wordt de grens tussen beide grondslagen geregeld vervaagd: de FIOD ‘influistert’ de inspecteur dat er relevante informatie beschikbaar is, waarna deze formeel een verzoek ex artikel 55 AWR doet.[1]

Voor het gebruik van stukken uit het strafdossier door de fiscale autoriteiten is niet vereist dat de strafzaak voor de rechter is gekomen of is beëindigd. In de parlementaire geschiedenis bij de Wjsg is dit met zoveel woorden bevestigd: de behoefte aan informatie-uitwisseling is “niet beperkt tot het stadium waarin de rechter in een strafzaak een onherroepelijke beslissing heeft gegeven”.[2] Een belastingplichtige of aansprakelijkgestelde kan dus worden geconfronteerd met naheffingen, navorderingen en aansprakelijkstellingen op basis van bewijsmateriaal uit een strafzaak die nog niet is afgerond – en mogelijk zelfs nooit tot vervolging zal leiden.

Het gebruik van strafvorderlijke informatie is bovendien niet beperkt tot de persoon die onderwerp is van het strafrechtelijk onderzoek. In een zaak van rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 februari 2013 werden strafvorderlijke gegevens ook bruikbaar geacht ten aanzien van personen die niet specifiek in het informatieverzoek waren genoemd.[3] In een recente conclusie van AG Koopman zien wij eveneens dat stukken uit een strafrechtelijk onderzoek tegen een belastingadviseur door de inspecteur werden gebruikt bij het opleggen van aanslagen aan diens cliënten.[4]

Zelfs dossierstukken uit een strafzaak die is geëindigd met een sepot of vrijspraak, kunnen worden gebruikt in de fiscale procedure. De Aanwijzing Wjsg merkt een sepot of vrijspraak weliswaar aan als ‘contra-indicatie’, maar maakt hierop een uitzondering indien de verstrekking het treffen van bestuurlijke maatregelen mogelijk maakt. Juist in geval van een bewijssepot of vrijspraak lijkt een opvolgend fiscaal traject nogal eens te volgen. De Hoge Raad heeft in HR 2 juni 2017 expliciet overwogen dat een vrijspraak er niet aan in de weg hoeft te staan dat in een latere procedure de gedragingen op basis van minder strenge bewijsregels of aanvullend bewijs wél bewezen worden verklaard – mits de rechter door zijn motivering geen twijfel doet ontstaan over de juistheid van de eerdere vrijspraak.[5] De belastingrechter kan dus op basis van hetzelfde feitencomplex tot een ander oordeel komen dan de strafrechter.

Het is zaak voor de belastingplichtige dan wel aansprakelijkgestelde om de stellingen van de Belastingdienst of Ontvanger te ontkrachten. In de eerste plaats dient de rechtmatigheid van de informatieverstrekking te worden onderzocht. Daarnaast kan een beroep worden gedaan op het ‘zozeer indruist’-criterium: informatie mag niet worden gebruikt indien de wijze van verkrijging zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht dat het gebruik ontoelaatbaar is.

De vrije bewijsleer werkt uiteraard ook in het voordeel van de belastingplichtige: hij kan alle bewijsmiddelen aanvoeren, waaronder eigen verklaringen en getuigen, om de stellingen van de Belastingdienst te ontkrachten.

Het gebruik van strafvorderlijke informatie door de Belastingdienst en de Ontvanger is stevig verankerd in de praktijk en de trend is duidelijk: er wordt meer informatie gedeeld. Voor de belastingplichtige of aansprakelijkgestelde die hiermee wordt geconfronteerd, is het van belang om niet lijdzaam af te wachten.

[1] Zie ook hof ‘s-Hertogenbosch 6 juni 2014, ECLI:NL:GHSHE:2014:1713.

[2] MvT bij het Besluit van 3 juli 2009, Stb. 2009, 305, p. 28-29.

[3] Rechtbank Zeeland-West-Brabant 12 februari 2013, ECLI:NL:RBZWB:2013:CA0849.

[4] Conclusie AG Koopman 20 december 2024, ECLI:NL:PHR:2024:1401.

[5] HR 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:958.

No Comments

Post a Comment