#632: de suppletieaangifte als vals geschrift
Recent weest de rechtbank Oost-Brabant een vonnis over de bewijsbestemming van suppletieaangiften (ECLI:NL:RBOBR:2025:4592). De tenlastelegging bestond uit drie feiten: het doen van onjuiste aangifte omzetbelasting (feit 1), valsheid in geschrifte (feit 2) en het medeplegen van witwassen (feit 3). Met betrekking tot feit 2 werd de verdachte ervan beschuldigd dat zij in de periode van 3 juli 2023 tot en met 30 oktober 2023 meerdere suppletieaangiften omzetbelasting valselijk had opgemaakt. Deze suppleties vermeldden onterecht voorbelastingen en zakelijke uitgaven die niet waren gedaan, met als doel een hogere teruggave van de Belastingdienst te verkrijgen. De rechtbank kwam tot een bewezenverklaring van de drie feiten en nam over de suppletieaangiften het standpunt in dat deze als vals geschrift dienden te worden aangemerkt. De rechtbank overwoog daarbij dat de door verdachte ingediende suppleties er uitsluitend toe strekten de Belastingdienst er toe te bewegen een nóg hogere teruggave te bewerkstelligen dan op grond waarvan verdachte volgens haar oorspronkelijke aangifte gerechtigd zou zijn. Bovendien waren twee van deze suppleties ingediend nog voorafgaand aan enige aangifte omzetbelasting. Een relevante uitspraak voor de discussie over de bewijsbestemming van suppleties.
De verdachte had op 26 juni 2023 voor het eerst aangifte omzetbelasting gedaan over het tweede kwartaal van 2023, waarin zij een teruggaaf van € 99.825,00 claimde. De Belastingdienst heeft deze aangifte bij beschikking van 21 juli 2023 gevolgd en het bedrag aan teruggaaf toegekend. In de daaropvolgende suppleties verzocht verdachte om wijziging van de eerder vastgestelde aanslag, met aanvullende teruggaafverzoeken van respectievelijk € 2.950,00 en € 88.000,00. Vervolgens diende zij op 24 augustus 2023 een nieuwe suppletie in, ditmaal met betrekking tot de maand juli 2023, waarin zij een teruggaaf van € 99.700,00 claimde. Op dat moment had zij echter nog geen aangifte omzetbelasting over het derde kwartaal van 2023 gedaan. Datzelfde gold voor een volgende suppletie die op 1 september 2023 bij de Belastingdienst binnenkwam. Pas op 23 september 2023 diende zij de reguliere aangifte voor het derde kwartaal in, gevolgd door een laatste suppletie op 30 oktober 2023, nog voordat de Belastingdienst hierover een beschikking had genomen.
Het oordeel van de rechtbank roept vraagtekens op. Want kan een suppletie wel een bewijsbestemming hebben als het een standpunt van de belastingplichtige inhoudt? De suppletie is volgens vaste jurisprudentie nadrukkelijk geen aangifte als bedoeld in artikelen 68 en 69 AWR. Dit blijkt ook uit de parlementaire geschiedenis bij artikel 10a AWR, waarin staat dat de suppletie geen aangifte is in juridische zin, maar dat sprake is van hetzij een verzoek om een naheffingsaanslag op te leggen (bij te weinig betaalde belasting), hetzij een (vaak te laat) bezwaar tegen de eigen aangifte (bij teveel betaalde belasting). Eerder dit jaar oordeelde de rechtbank Overijssel (ECLI:NL:RBOVE:2025:2449) nog dat suppleties beschouwd moesten worden als bezwaarschriften tegen de eigen aangifte, indien daaruit volgt dat te veel belasting is geheven. En uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat aan een bezwaarschrift in het maatschappelijk verkeer niet een zodanige betekenis voor het bewijs van de inhoud ervan pleegt te worden toegekend, dat daaraan een bewijsbestemming in de zin van artikel 225 Wetboek van Strafrecht (Sr) toekomt (zie HR 3 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2542 en HR 17 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1847).
Maar wat als sprake is van de situatie dat géén aangifte is ingediend, zoals deels het geval was in onderhavige zaak. Kan een suppletie dan toch aangemerkt worden als een geschrift waaraan een bewijsbestemming kan worden toegekend?
Wat ons betreft niet. De huidige lijn in de jurisprudentie bewerkstelligt nou juist dat het een belastingplichtige vrijstaat om een bepaald standpunt in een fiscale procedure in te nemen, zonder dat het geschrift waarin dit standpunt is vastgelegd, als vals geschrift kan worden bestempeld. Aan deze gedachte wordt met het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant volledig voorbijgegaan.
Een suppletieaangifte is primair een verzoek tot correctie van de fiscale situatie. Dat verzoek moet nog worden beoordeeld, kan worden geweigerd, en is op zichzelf geen bewijsmiddel met een bewijsfunctie. Als men deze suppleties als ‘bewijs’ gaat kwalificeren omdat ze een hogere teruggave trachten te bewerkstelligen, dan dreigt de bewijsbestemming oneigenlijk opgerekt te worden. Bijna elk contact met de Belastingdienst kan immers tot fiscale gevolgen leiden – maar dat maakt het nog geen geschrift met bewijsbestemming in de strafrechtelijke zin. Zoals Reijntjes als optie oppert in zijn noot bij het arrest uit 2017, zouden valsheden in wat slechts een (partij)standpunt is, buiten het bereik van de strafrechter kunnen worden gehouden. Dit in lijn met de gedachte dat een verdachte niet strafbaar kan worden gesteld voor zijn leugens. Wat ons betreft de enige juiste benadering als het gaat om de bewijspositie van fiscale standpunten.
Heb je hier vragen over of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op via vaklunch@hertoghsadvocaten.nl.

No Comments