#640: Van gezinsportemonnee tot witwasdossier

De recente conclusie van de advocaat-generaal Sinnige in de zaak ECLI:NL:PHR:2025:1006 zet de discussie over de grenzen van het bewijs van witwassen op scherp. In deze zaak werd een vrouw veroordeeld voor het medeplegen van gewoontewitwassen, omdat zij samen met haar echtgenoot grote hoeveelheden contant geld stortte en uitgaf. De advocaat-generaal adviseert de Hoge Raad om het cassatieberoep te verwerpen en sluit zich aan bij de redenering van het hof dat de omvang en frequentie van de contante geldstromen, in combinatie met het ontbreken van een legale herkomst, geen andere conclusie toelaat dan dat het geld uit misdrijf afkomstig was en de vrouw hiervan op de hoogte was.

Deze conclusie roept belangrijke juridische vragen op. Allereerst de vraag in hoeverre van een partner – in dit geval de vrouw – mag worden verlangd dat zij een concrete en verifieerbare verklaring geeft over de herkomst van het geld, anders dan dat haar man het geld verdiende. Het hof en de advocaat-generaal stellen dat dit mag, omdat zij ‘grotendeels’ op de hoogte was van de werkzaamheden van haar echtgenoot en zelf betrokken was bij het storten en uitgeven van het geld. Maar in de praktijk is het lang niet altijd zo dat een partner precies weet hoeveel de ander verdient, uit welke bronnen het geld afkomstig is, of hoe de administratie in elkaar steekt. Het feit dat de partner grotendeels op de hoogte is van de feitelijke werkzaamheden, betekent immers niet dat de partner op de hoogte is van de feitelijke inkomsten.

De advocaat-generaal tilt zwaar aan het feit dat de vrouw ‘grotendeels’ wist waar haar man werkte, maar dat zegt vooral iets over de aard van het werk (beveiliging) en niet over de precieze financiële details. Kennis van het beroep is niet hetzelfde als kennis van de inkomsten of de herkomst van het geld. In veel relaties is het heel gebruikelijk dat partners niet volledig inzicht hebben in elkaars inkomsten, zeker wanneer deze afkomstig zijn uit verschillende bronnen.

Een ander problematisch punt betreft de manier waarop het hof het bewijs van opzet invult en het feit dat de advocaat-generaal daar geen problemen inziet. Uit de hoge frequentie en de omvang van de contante geldstromen, alsook het ontbreken van een legale verklaring, wordt afgeleid dat de vrouw moet hebben geweten dat het geld uit misdrijf afkomstig was. Maar indicatoren zoals veel contant geld, grote coupures en het ontbreken van een verklaring zijn vooral aanwijzingen voor het objectieve element van witwassen. Dat betekent echter niet automatisch dat de partner ook het vereiste subjectieve bestanddeel – opzet of voorwaardelijk opzet – heeft gehad. De stap van ‘dit kan niet legaal zijn’ naar ‘zij moet dat hebben geweten’ is juridisch gezien te groot, zeker als er geen aanvullende aanwijzingen zijn dat de partner zich daadwerkelijk bewust was van de criminele herkomst.

Ook is het feit dat de vrouw verklaarde dat haar man in de beveiliging werkte, soms dagen weg was en er regelmatig grote contante bedragen in huis lagen, op zichzelf misschien onvoldoende om de herkomst van het geld aan te tonen, maar het zegt wel iets over het ontbreken van het opzet. In Nederland is het bezitten of uitgeven van contant geld geen strafbaar feit. Het hof heeft bovendien niet vastgesteld dat de vrouw concrete signalen kreeg over illegale bronnen, zoals specifieke strafbare feiten, contacten met het criminele circuit of eerdere veroordelingen. Beveiligingswerk kan bovendien onregelmatig en contant worden betaald, waardoor het voor een partner lastig is om precies te weten wat er binnenkomt. De verklaring van de partner toont juist aan dat de vrouw ervan uitging dat sprake is van een legale inkomstenbron. De redenering van het hof maakt onvoldoende duidelijk waarom die verklaring van mevrouw niet geloofwaardig is.

In de conclusie wordt er nog op gewezen dat de vrouw kladbriefjes aanleverde voor de boekhouder en dat er geen primaire stukken waren. Maar het ontbreken van een goede administratie zegt vooral iets over de gebrekkige bedrijfsvoering van de echtgenoot, niet per se over de wetenschap van de partner van crimineel. Het is niet ongebruikelijk dat partners in een gezin worden gevraagd te helpen bij de administratie, zonder zich te hebben op alle details of de herkomst van elk biljet.

Tot slot is het bewijs van medeplegen in deze zaak vooral gebaseerd op het gezamenlijk uitgeven en storten van contant geld voor het gezin en de woning. Maar voor medeplegen is meer nodig: er moet sprake zijn van een bewuste en nauwe samenwerking gericht op het verhullen of voorhanden hebben van misdaadgeld. Het gezamenlijk besteden van contanten aan gezinsconsumptie is daarvoor onvoldoende, zeker wanneer niet blijkt dat de partner zich bewust was van de criminele herkomst en dit slechts wordt aangenomen op basis van een redenering.

De conclusie lijkt dan ook te veel te steunen op een simpele optelsom: veel contant geld + een gebrekkige administratie = wetenschap en medeplegen. De bewijsdrempel voor witwassen zonder bekend gronddelict ligt hoog; een simpele redenering volstaat niet en houdt onvoldoende rekening met de concrete gezinssituatie. Juridisch is er meer nodig: er moeten concrete aanwijzingen zijn dat de partner wist, of ten minste willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard, dat het geld uit misdrijf afkomstig was. Zonder dergelijke aanwijzingen is het verband tussen de feitelijke omstandigheden en de toegeschreven wetenschap te ver gezocht. Wie contanten ziet, weet niet per definitie de herkomst. Juist in familierelaties vraagt het bewijs van opzet en medeplegen om extra behoedzaamheid.

Heb je vragen over dit onderwerp of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact met ons op via [email protected].

No Comments

Post a Comment