#660: De afroomboete ingekleurd

In september vorig jaar publiceerden wij Vaklunch #637, waarin wij de conclusie van AG Aben over de afroomboete bespraken. Vorige week wees de Hoge Raad arrest in die zaak. In tegenstelling tot de conclusie van de AG verwerpt de Hoge Raad het beroep en oordeelt hij dat het onjuist is te stellen dat een geldboete die mede strekt tot afroming van wederrechtelijk verkregen voordeel niet is toegestaan. Daarbij formuleert de Hoge Raad algemene uitgangspunten voor de oplegging van een geldboete die mede strekt tot afroming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De casus in het kort: de verdachte is in hoger beroep veroordeeld tot onder meer een geldboete van €50.000, subsidiair 285 dagen hechtenis, voor witwassen. Met betrekking tot de strafoplegging heeft het hof daarbij gemotiveerd dat de geldboete dient ter benadrukking van de ernst van het feit alsmede ter afroming van het door verdachte behaalde voordeel. Dat wil zeggen dat de geldboete deels dient ter ontneming van hetgeen de verdachte in verband met het bewezenverklaarde witwassen zou hebben verkregen.

Aben maakt in zijn conclusie van 26 augustus 2025 duidelijk dat de rechtspraak over de afroomboete allesbehalve klip-en-klaar is. Hij onderscheidt drie categorieën van gevallen waarin de strafrechter rekening houdt met (de omvang van) wederrechtelijk verkregen voordeel, maar waarin een geldboete niet wordt opgelegd met het uitsluitende of het primaire doel om het wederrechtelijk verkregen voordeel te ontnemen. Bij categorie i telt het voordeel mee bij de strafmaat (deze situatie is het minst problematisch); bij categorie ii is de boete deels bedoeld voor ontneming (volgens AG Aben nog toelaatbaar); bij categorie iii bestaat de boete uit twee componenten, één ter vergelding en één specifiek ter ontneming, wat volgens Aben een ontoelaatbare situatie oplevert.

Aben stelt dat de rechtspraak van de Hoge Raad, waarin een geldboete kan worden opgelegd ‘die mede dient tot afroming van het door de bewezen verklaarde feiten verkregen voordeel’, primair bijstelling, subsidiair verduidelijking en meer subsidiair aanvulling behoeft. Zijn standpunt is dat voordeelsontneming het gevolg kan zijn van de boete, maar nooit de grondslag mag vormen voor de oplegging – ook niet deels.

De conclusie van AG Aben gaf de Hoge Raad aanleiding enkele principiële punten scherp te stellen. De Hoge Raad legt uit dat de feitenrechter beschikt over een ruime straftoemetingsvrijheid: hij kiest binnen de wettelijke grenzen de strafsoort en de factoren die hij van belang acht. Bij een geldboete mag hij letten op de ernst van het feit, de omstandigheden en het financiële voordeel dat de verdachte heeft behaald of beoogde te behalen.

De Hoge Raad verduidelijkt dat een geldboete – naast haar bestraffende karakter – ook een afromende functie mag hebben. Wel geldt een motiveringseis: uit de uitspraak moet voldoende blijken hoe de omvang van het voordeel is geschat, zodat dubbele ontneming via een latere ontnemingsmaatregel wordt voorkomen.

Tot slot overweegt de Hoge Raad dat de ontnemingsrechter rekening moet houden met een eerder opgelegde afromende geldboete bij het vaststellen van de betalingsverplichting, ook als dit niet expliciet was gemotiveerd. Daarmee is de afromende geldboete toelaatbaar, mits transparant gemotiveerd en dubbele ontneming wordt voorkomen.

Het recente arrest bevestigt de principiële toelaatbaarheid van de afroomboete. Hoewel daarbij de kanttekening wordt gemaakt dat de strafrechter in dergelijke gevallen expliciet moet aangeven welk voordeel hij voor ogen heeft en hoe dat is geschat, blijven wat ons betreft de principiële discussiepunten zoals voorgelegd door AG Aben onverminderd relevant. Wij vragen ons af op welke wijze de procedurele waarborgen – denk aan de vereiste bekendmaking vooraf en de bewijstechnische eisen – voor de ontneming van voordeel kunnen worden geborgd, wanneer de ontneming onderdeel wordt van de geldboete. Daarnaast rijst de vraag hoe moet worden omgegaan met gevallen waarin de ontnemingsvordering wegens het voordeel uit strafbare feiten bij de vennootschap ligt, terwijl de bestuurders als feitelijk leidinggevers via de afroomboete van hun gelden worden ontdaan. Bovendien mag niet uit het oog worden verloren dat een veroordeling voor witwassen van gelden – zoals in het onderhavige geval – niet zonder meer betekent dat die geldbedragen daadwerkelijk voordeel hebben opgeleverd. De conclusie is helder: terughoudendheid in de toepassing is geboden en dubbele ontneming via een afroomboete mag niet.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op via [email protected].

No Comments

Post a Comment