#266: Data: the wood for the trees

De digitalisering van het dagelijks leven resulteert in grote hoeveelheden data. E-mails, documenten, sms verkeer: het digitale werken laat sporen achter. Sporen die voor opsporingsinstanties van groot belang kunnen zijn. Sporen die kunnen leiden tot bewijs van strafbare feiten. In de praktijk worden tegenwoordig dan ook grote hoeveelheden data in beslag genomen. Het is een wirwar van informatie. Hoe structureer je die data? Hoe maak je inzichtelijk wat met die data is gedaan? En hoe voorkom je dat in voorkomende gevallen selectief data wordt verzameld hetgeen leidt tot een eenzijdig beeld van de werkelijkheid, ofwel tunnelvisie? En misschien wel belangrijker, hoe stel je achteraf vast of al dan niet selectief data is verzameld? In steeds meer onderzoeken wordt zoveel data verzameld dat de procespartijen door de bomen het bos niet meer zien. Aan het structureren van die informatie en het inzichtelijk maken van het onderzoeksproces ter verificatie is nog veel winst te boeken.

Lees verder

#257: Strafbare valkuilen

Fraude onderzoeken kenmerken zich door enorme omvangen. Dat uiteindelijk veel ordners van het procesdossier overbodig blijken als het écht tot een zitting komt zal menig rechter, officier van justitie en advocaat beamen. Het enorme aanbod aan opsporingsmiddelen leidt tot een evenzo groot aanbod aan in beslag genomen materiaal. En het komt vaak voor dat zich in dat materiaal informatie bevindt waarvan de verdachte zich afvraagt hoe men daar aan is gekomen. Veelal wordt tijdens het onderzoek gebruik gemaakt van de mogelijkheid om een vordering tot uitlevering van opgeslagen of vastgelegde gegevens ex artikel 126nd Wetboek van Strafvordering (Sv) uit te vaardigen. Deze vordering mag niet aan een verdachte worden gericht. Dit kan bijvoorbeeld de adviseur, de bank of de vermogensbeheerder zijn. De vordering verplicht diegene tot het verlenen van medewerking én tot geheimhouding, ook – of wellicht juist – tegenover de verdachte. In een recente zaak liep een verdenking van schending van deze geheimhoudingsplicht met een sisser af.Lees verder

#253: Schizofrenie en de onschuldpresumptie

De onschuldpresumptie is een groot goed in ons rechtsstelsel. Dit recht is vastgelegd in artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM). Iedereen die verdacht wordt van een strafbaar feit komt dit recht toe. De Hoge Raad en rechters in den lande onderkennen op zichzelf dat ook in fiscale zaken onder omstandigheden de onschuldpresumptie gerespecteerd moet worden. Toch lijken beeld en geluid bij de toepassing op concrete zaken niet te kloppen.

Lees verder

#247: De uiterlijke schijn van (on)partijdigheid

Op basis van artikel 512 Wetboek van Strafvordering kunnen het Openbaar Ministerie en de verdachte de rechter wraken indien zich feiten of omstandigheden voordoen ‘waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden’. Onder meer in vaklunch #128 schreven wij al over gevallen waarin een wrakingsverzoek kan worden gedaan en de wijze waarop een wrakingsverzoek wordt beoordeeld. Ook concludeerden we dat een wraking niet mag worden gebruikt als een ‘verkapt rechtsmiddel’. Grond voor wraking bestaat alleen als uit een beslissing een zwaarwegende aanwijzing van vooringenomenheid volgt. Dat is echter niet eenvoudig. Uit een recente beslissing van Rechtbank Zeeland-West-Brabant blijkt dat de moeite loont om de houding van de rechter te monitoren. Niet alleen op basis van zijn uitlatingen maar ook op basis van zijn beweegredenen om op een bepaalde wijze te acteren kan de schijn van onpartijdigheid blijken.

Lees verder

#245: Wat is opportuun?

Soms voelt het voor een verdachte niet opportuun dat hij wordt vervolgd; hij heeft het niet (expres) gedaan, hij kon niet anders of het is geen ernstig feit. Het komt er vaak op neer dat een vervolging voelt als ‘niet eerlijk’. Het is aan de advocaat van de verdachte om te bepalen of dat gevoel van oneerlijkheid ook vertaald kan worden naar een juridisch ontvankelijkheidsverweer. Ontvankelijkheidsverweren worden vaak gevoerd in het kader van ernstige vormverzuimen. Maar het komt ook voor dat de vervolging in strijd wordt geacht met de beginselen van een goede procesorde. In een heel enkel geval wordt het Openbaar Ministerie – ondanks het opportuniteitsbeginsel – in verband met een schending van de goede procesorde toch niet-ontvankelijk verklaard.
Lees verder

#231: De gevolgen van de inkeerregeling voor derden

In Vaklunch #161 besteedden wij aandacht aan een arrest van de Hoge Raad van 5 april 2016 aangaande de relatie tussen de inkeerregeling en witwassen. De Hoge Raad oordeelde dat de algemene beginselen van behoorlijke procesorde met zich mee kunnen brengen dat indien vervolging voor het fiscale misdrijf vanwege een geldige inkeermelding is uitgesloten, ook geen vervolging voor witwassen kan plaatsvinden. Wegens een motiveringsgebrek casseert de Hoge Raad het arrest van het hof en wijst de zaak terug. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden spreekt zich nu opnieuw uit in deze zaak.Lees verder

#207: Liegen is geen verbergen of verhullen

In het dagelijks spraakgebruik is het niet ongewoon om aan te nemen dat als iemand liegt diegene iets wil verbergen of verhullen. Dit uitgangspunt werd door het Hof Amsterdam gebruikt om iemand te veroordelen voor witwassen in een arrest van 29 juli 2015 dat overigens pas vorige week werd gepubliceerd. De Hoge Raad steekt hier echter een stokje voor en legt uitgebreid uit wat de daadwerkelijke betekenis van verbergen of verhullen in het kader van witwassen is.Lees verder

#204: Rechtsbescherming bij invordering bestuurlijke boete

Het strafrecht gaat in Nederland al een aantal eeuwen mee. De eerste codificatie van het strafrecht in het ‘Crimineel wetboek voor het Koningrijk Holland’ dateert van 1809.[1] Na een aantal gedaanteveranderingen is dit aan het eind van de 19e eeuw vervangen voor het Wetboek van Strafrecht. Pas een eeuw daarna, inmiddels zo’n dertig jaar geleden, laaide de discussie over een alternatieve vorm van handhaving op. De strafrechtelijke keten kon het aanbod niet meer aan. Omdat met name de handhaving van de bestuursrechtelijke wetgeving tekort schoot werd daar naar een oplossing gezocht. En ineens was er een new kid in town: de bestuurlijke boete.

Lees verder

#197: Witwassen; een goed voornemen voor het nieuwe jaar?

Met het naderende einde van het jaar blikt de Hoge Raad terug op het verleden en kijkt het alvast vooruit naar de toekomst. In een mooi eindejaarsarrest van 13 december 2016 stelt de Hoge Raad dat de jurisprudentie omtrent witwassen en de geformuleerde kwalificatie-uitsluitingsgrond complex kan worden ervaren. Dit geeft aanleiding voor de Hoge Raad om een overzicht te geven. Deze jurisprudentie van de Hoge Raad is echter ook aanleiding geweest voor nieuwe witwaswetgeving. En op 1 januari 2017 treden de bepalingen aangaande “eenvoudig witwassen” (art. 420bis.1 Sr) en “eenvoudig schuldwitwassen” (art. 420quater.1 Sr) in werking. Reden voor de Hoge Raad om in dit arrest alvast een overzicht te geven van de geldende witwaswetgeving die in het nieuwe jaar van toepassing is. Of omvat dit arrest meer dan een overzicht en geeft het eveneens een stille hint aan het Openbaar Ministerie?Lees verder

#190: De mazen van het witwasvangnet worden groter

Daar gaan we weer: Witwassen. Misschien zijn de witwasbepalingen wel het grootste vangnet voor het Openbaar Ministerie. En het Openbaar Ministerie maakt daar grif gebruik van. In (bijna) iedere financiële fraude zaak duikt (ook) de verdenking van witwassen op. Maar ook als het Openbaar Ministerie geen directe verdenking van fraude kan construeren, is een verdenking van witwassen gemakkelijk gemaakt. Zolang de herkomst van bepaald vermogen niet duidelijk is en enige witwasindicatoren aanwezig zijn, kan een strafrechtelijk onderzoek worden opgetuigd. Het Openbaar Ministerie kan volstaan met de stelling dat sprake is van een redelijk vermoeden dat het vermogen – middellijk of onmiddellijk – afkomstig is van ‘enig misdrijf’. Voor een bewezenverklaring van witwassen is een nauwkeurig aangeduid misdrijf namelijk niet nodig. Maar dat houdt volgens Hof Arnhem-Leeuwarden niet in dat geen onderzoek behoeft te worden gedaan door het Openbaar Ministerie.Lees verder