#141: Hertoghs advocaten zoekt aspirant advocaat-stagiair (Ams)

Ons nichekantoor is gespecialiseerd in fiscale geschillen en (internationale) financiële fraude zaken. Onze cliënten stellen hoge eisen aan onze bijstand, net als wij. Bij iedere zaak zijn tenminste twee advocaten betrokken om zo de beste kwaliteit te leveren door kritisch op elkaar te zijn. Het werken volgens het four eyes principle vereist eerlijkheid, collegialiteit en een (zelf)kritische houding. Naast een intensieve samenwerking is een hoog kennisniveau van juridische vraagstukken en de actualiteit een must. Samen herken je alle potentiële verweren in een dossier om op basis daarvan de beste strategie te bepalen.

Ons kantoor met Brabantse roots is op zoek naar een nieuwe ambitieuze collega die bereid is samen met Roel Kerckhoffs, Judith de Boer en Mariëlle Boezelman de kwaliteit van ons kantoor over te brengen naar onze toekomstige vestiging in Amsterdam.

Spreekt ons kantoor jou aan en herken jij je in het volgende:

  • Ik ben net afgestudeerd in het fiscale recht (met civiel effect) en het recht op een eerlijk proces staat bij mij hoog in het vaandel; of
  • Ik ben net afgestudeerd in het (ondernemings)strafrecht en ben niet bang voor cijfers;
  • Ik wil topadvocaat worden;
  • Ik ben kritisch, in staat kritiek te krijgen en te verwerken;
  • Ik ben collegiaal zonder anderen naar de mond te praten; en
  • Ik ben niet vies van wat Brabantse gezelligheid?

Dan zijn wij wellicht op zoek naar jou! Stuur in dat geval je motivatiebrief, CV en cijferlijst naar Peter van der Westerlaken (westerlaken@hertoghsadvocaten.nl).

#134: Something old, something new..

De plannen voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering zijn klaar. Dit blijkt uit de brief van 30 september 2015 van minister Van der Steur aan de Tweede Kamer. De brief betreft een eerste formele stap naar het moderne wetboek. Van der Steur kondigt aan dat het wetboek gemakkelijker in gebruik zal zijn en dat het de kwaliteit van de strafrechtspleging zal verhogen. De wetsvoorstellen worden in vier verschillende tranches ingevoerd. Volgens de planning zal de laatste tranche in december 2018 in het Staatsblad worden gepubliceerd. Over de voortgang van de plannen wordt tijdens het (tweede) Congres over de modernisering van het Wetboek van Strafvordering op 15 oktober a.s. verder gesproken. De plannen voor het nieuwe wetboek – opgenomen in de contourennota waar wij al eerder aandacht aan hebben besteed in artikel 118 en artikel 102 – zijn tot stand gekomen in intensief overleg met politie, Openbaar Ministerie, rechtspraak, advocatuur en met vertegenwoordigers uit de wetenschap. Maar zal het nieuwe wetboek haar doelen waarmaken?Lees verder

#118: Audio-opname zitting wenselijk voor controle proces-verbaal

Het proces-verbaal van de zitting blijft de gemoederen bezighouden. En dat is, gelet op de functie ervan, ook terecht. Het proces-verbaal van de zitting is de belangrijkste kenbron van hetgeen is voorgevallen ter zitting. Als iets niet in het proces-verbaal is opgenomen, is het in beginsel – juridisch gezien – ook niet gebeurd. Met de modernisering van het Wetboek van Strafvordering in het vooruitzicht, zullen ook de regels omtrent het proces-verbaal onder de loep moeten worden genomen. De hamvraag is of – gelet op de waarde die aan de inhoud van het proces-verbaal wordt gehecht – niet meer waarde aan de zorgvuldigheid van de totstandkoming van het proces-verbaal en de mogelijkheid dat te toetsen moet worden gehecht.Lees verder

#115: De kracht van retorica ter zijde geschoven

Al geruime tijd bestaan er zorgen over de werkdruk bij de rechterlijke macht. Deze druk heeft tot gevolg dat rechters zuinig met zittingstijd omgaan. Dit resulteert regelmatig in een discussie tussen de verdediging en de rechterlijke macht over de pleittijd van de advocaat. Rechters vinden veelal dat advocaten te lang van stof zijn en proberen de pleittijd van de advocaat in te perken. Maar hoe verhoudt dit zich tot het recht van de verdediging om aan te voeren wat haar in het belang van de verdediging dienstig voorkomt? De Hoge Raad heeft op 26 mei 2015 hierover een belangrijk arrest gewezen.Lees verder

#104: Het alternatieve scenario

Heeft de verdachte het gedaan of niet? Om die vraag te beantwoorden is niet alleen van belang of sprake is van wettig bewijs. Dat bewijs moet ook overtuigend zijn. Als dat niet het geval is, kan geen veroordeling volgen. Het schetsen van een alternatief scenario dat op basis van de beschikbare bewijsmiddelen ook kan hebben plaatsgevonden – niet zijnde hetgeen ten laste is gelegd – kan aan die rechterlijke overtuiging in de weg staan. Het gaat dus om het subjectieve oordeel van de rechter. Het moet uiteraard wel om een geloofwaardig alternatief scenario gaan dat met zoveel mogelijk bewijs moet zijn omgeven. In de praktijk lijkt het fenomeen van het alternatieve scenario aan populariteit te winnen. Maar wanneer is een dergelijk verweer zinvol?Lees verder

#074: De Hoge Raad neemt advocatuur aan de hand

In het advocatenblad van juli 2014 staat een interview met de vicepresident van de Hoge Raad, Willem van Schendel. Zijn boodschap is duidelijk; hij verwacht een actievere advocatuur. Als er wat fout gaat dan moet je tijdig ‘piepen’ en niet wachten tot cassatie, aldus Willem van Schendel. Verder verbaast het hem dat er kritiek bestaat van de advocatuur op de Hoge Raad omdat de Hoge Raad onvoldoende richtinggevende arresten zou wijzen. Wellicht doelt de vicepresident op het arrest van de Hoge Raad van 1 juli 2014, een uitgebreid overzichtsarrest over het oproepen van getuigen in de verschillende procesfases. Of de Hoge Raad wat heeft gedaan met de kritiek vanuit de strafrechtadvocatuur of dat de Hoge Raad heeft opgemerkt dat het telkens fout gaat bij de advocatuur of de rechterlijke macht doet er niet toe. Doe je voordeel met dit handige ‘spoorboekje’ over het oproepen en horen van getuigen op verzoek van de verdediging.

Na het noemen van de relevante wetsartikelen gaat de Hoge Raad in op de verschillende maatstaven die kunnen worden gehanteerd bij het al dan niet toewijzen van een getuige, het verdedigingsbelang en het noodzakelijkheidscriterium. Bij de uitleg van de maatstaf ‘het verdedigingsbelang’ komt goed tot uitdrukking dat de Hoge Raad van oordeel is dat de advocatuur een actieve houding dient aan te nemen. Hoewel het verdedigingsbelang in beginsel impliceert dat terughoudend moet worden omgesprongen met het afwijzen van getuigen waarop het verdedigingsbelang de maatstaf is, benadrukt de Hoge Raad dat een verzoek door de verdediging naar behoren moet worden gemotiveerd. De verdediging kan niet (meer) volstaan met een summiere motivering. Duidelijk dient te worden gemaakt hoe de verklaring van deze getuige mogelijk kan bijdragen aan de voor enig in de strafzaak te nemen beslissing ex artikel 348 en 350 Sv.

Niets nieuws onder de zon, maar in wezen wordt van de advocatuur verwacht geen pokerspel te spelen maar zich in de kaarten te laten kijken. Zo moeten de redenen worden opgegeven waarom een getuige à charge – die reeds in het vooronderzoek is gehoord – opnieuw moet worden gehoord om zijn betrouwbaarheid of geloofwaardigheid te toetsen en waarom de verklaring van een bepaalde getuige kan bijdragen aan betwisting van de tenlastelegging. De Hoge Raad stelt overigens dat de verdediging tevens de redenen moet opgeven waarom een verklaring van de getuige kan strekken tot staving van het tenlastegelegde. Ons inziens kan dit niet van de verdediging worden verlangd.

De Hoge Raad stelt vervolgens ook strenge eisen aan het oproepen van getuigen ter onderbouwing van een beroep op een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv. Gemotiveerd dient te worden welke rechtsgevolgen een dergelijk verweer kan hebben in het kader van artikel 359a Sv. Opvallend is dat de Hoge Raad stelt dat in de regel het verdedigingsbelang zal ontbreken indien de opgegeven getuige zou kunnen verklaren over vormverzuimen die niet zijn begaan bij het voorbereiden onderzoek tegen de verdachte ter zake van het aan hem tenlastgelegde feit. Dit is opvallend omdat Willem van Schendel in zijn interview teven het volgende heeft aangegeven:

“Neem de zaak van de onbevoegde hulpofficier. Deze OvJ was onbevoegd omdat hij geen examen had gedaan maar wel een machtiging had gegeven voor een doorzoeking. Daarvan hebben we gezegd: je moet een belangenafweging maken tussen het verzuim en het effect. Je moet rekening houden met de belangen van slachtoffers, maar ook met het belang van de vervolging. Het automatisme: er is een fout gemaakt, dús bewijsuitsluiting, dat hebben we beperkt. Maar in dat arrest hebben we ook ruimte geschapen voor structurele verzuimen. Dus het is niet zo dat alle Nederlandse hulpofficieren nu nooit meer een examen hoeven te doen en toch een machtiging kunnen geven. Daar zitten juist de kansen van de advocatuur.”

Hoewel wij menen dat het niet de taak is van de advocatuur om aan te tonen dat structureel vormverzuimen plaatsvinden in Nederland, is een van de weinige mogelijkheden om dit te doen het horen van getuigen over vormverzuimen die niet zijn begaan bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte. Als dus een actievere advocatuur van de Hoge Raad wordt verwacht dan moeten haar mogelijkheden daartoe niet worden beknot. Laat de verdediging dan ook actief zijn.

Het overzichtsarrest van de Hoge Raad gaat uiteraard uitgebreid in op allerlei andere punten. Heb jij nog nieuwe punten gevonden in dit praktische overzichtsarrest van de Hoge Raad die enige aandacht verdienen? Ga jij naar aanleiding van dit arrest getuigenverzoeken uitgebreider motiveren ook al is de maatstaf van het verdedigingsbelang van toepassing?

#039: De verzekerde mag zelf kiezen

Het Europese Hof van Justitie heeft op 7 november 2013 bepaald dat rechtsbijstandverzekeraars aan hun verzekerden een vrije advocaatkeuze moeten bieden. Verzekeraars mogen niet in de verzekeringsovereenkomst opnemen dat de kosten voor een externe rechtsbijstandsverlener ‘slechts vergoed worden indien de verzekeraar van mening is dat de behandeling van de zaak aan een externe rechtshulpverlener moet worden uitbesteed’. Nee, het Hof heeft bepaald dat het aan de verzekerde is om te bepalen of een externe advocaat wordt ingeschakeld. En dat geldt ook in procedures waarbij procesvertegenwoordiging niet verplicht is.
 
De zaak kwam bij het Hof nadat de Hoge Raad had verzocht om een prejudiciële beslissing in een zaak tegen DAS Rechtsbijstand. De betrokkene in kwestie wenste zelf een advocaat te kunnen kiezen in een procedure om een schadevergoeding tegen zijn voormalige werkgever in verband met ’kennelijk onredelijk ontslag’. DAS stelde zich op het standpunt dat het recht op vrije advocaatkeuze pas ontstaat op het moment dat de rechtsbijstandverzekeraar beslist dat de zaak niet door een eigen jurist kan worden gedaan, maar dat een externe advocaat moet worden ingeschakeld.

Gerechtshof Amsterdam volgde deze redenering van de DAS en oordeelde dat niet  was voldaan aan de voorwaarde dat de rechtsbijstandsverzekeraar een externe advocaat had verzocht de belangen van de verzekerde te behartigen. De verzekerde mocht daarom niet zelf een advocaat van zijn keuze inschakelen. Tegen deze uitspraak is cassatie ingesteld door de verzekerde. De Hoge Raad heeft daarop prejudiciële vragen gesteld aan het Europese Hof van Justitie over de exacte reikwijdte van het recht op vrije advocaatkeuze bij rechtsbijstandsverzekeringen. De beperkte uitleg van Gerechtshof Amsterdam kan volgens het Europese Hof niet door de beugel. Een dergelijke beperkte uitleg valt niet te verenigen met de doelstelling van de rechtsbijstandsverzekeringsrichtlijn om de belangen van verzekerden ruim te beschermen. Het is dus niet aan de rechtsbijstandverzekeraar om te bepalen of een externe advocaat moet worden ingeschakeld, maar aan de verzekerde.

 
Door deze uitspraak zullen rechtsbijstandverzekeraars zich naar verwachting vaker moeten wenden tot externe advocaten. De verzekeraars vrezen een stijging van de verzekeringspremies. Echter, ten aanzien daarvan oordeelt het Europese Hof: ‘Met betrekking tot de kwestie van de hoogte van de verzekeringspremies moet worden gepreciseerd dat de verschillende manieren waarop de verzekerde zijn recht op vrije keuze van rechtshulpverlener kan uitoefenen, niet uitsluiten dat in bepaalde gevallen beperkingen kunnen worden gesteld aan de kosten die door de verzekeraars worden vergoed.’
 
Gelet op eerdere rechtspraak van het Europese Hof betekent de keuzevrijheid niet dat de lidstaten verzekeraars tot volledige dekking van de kosten van de verdediging moeten verplichten. Dat zou wel het geval zijn indien het door een beperkte kostenvergoeding voor de verzekerde in de praktijk onmogelijk wordt een redelijke keuze te maken over zijn vertegenwoordiger. Het is aan de nationale rechterlijke instanties om na te gaan of sprake is van een zodanige beperking. Het Hof overweegt verder dat het de verzekeraars en de verzekerden vrij staat een hogere premie overeen te komen voor een hoger niveau van vergoeding van de kosten van rechtsbijstand.
 
Deze uitspraak zal niet alleen de nodige consequenties hebben voor rechtsbijstandverzekeringsland, maar ook voor de advocatuur. Deze beslissing maakt het immers mogelijk dat verzekerden een voor hun specifieke probleem gespecialiseerd advocaat in de arm nemen. In hoeverre er daadwerkelijk ‘werk aan de winkel’ is voor externe advocaten zal de tijd leren. Het al dan niet inschakelen van een externe advocaat zal voor de minder vermogende verzekerden afhangen van de al dan niet stijgende verzekeringspremies.

Ben jij al eens ingeschakeld als advocaat om vervolgens in een discussie te verzeilen met de verzekering of jij mag optreden voor je cliënt?

#038: Staak jij op maandag 11 november 2013?

In het Paleis van Justitie in Arnhem hangt een grote afbeelding van een advocaat achterover geleund in een leren fauteuil, een dikke sigaar in zijn mond en een glas cognac in de hand. Dit is de advocaat vanuit een stereotype benaderd. Vanuit dit stereotype is waarschijnlijk het idee ontstaan dat het allemaal wel wat minder kan bij de advocatuur en zond Staatsecretaris Teeven zijn brief van 12 juli 2013 met betrekking tot de gesubsidieerde rechtsbijstand. Op 14 november a.s. om 14:00 uur vindt het Kamerdebat plaats omtrent de bezuinigingen op de rechtsbijstand. Met dit voorstel wordt echter niet de advocaat met de sigaar in de hand geraakt, maar met name de kleine gespecialiseerde strafrechtkantoren en nog belangrijker: de minder draagkrachtige verdachte. Om van zich te laten horen heeft de strafrechtadvocatuur daarom stakingen aangekondigd op 11 november 2013. De voorgestelde bezuiniging op de rechtsbijstand betekenen voor de strafrechtadvocatuur het volgende:

Ten eerste is het voorstel een vermindering van het uurtarief. In de gefinancierde rechtsbijstand bedraagt het uurtarief nu € 106,-. De voorgestelde bezuinigingen bedragen maar liefst 30% en zouden een vermindering naar € 70,- betekenen. De kosten van de advocaat dalen echter geenszins. Zo zijn onder meer de opleidingskosten gestegen en stijgen bijvoorbeeld ook de kosten voor huisvesting en personeel.  

Ten tweede wil Staatssecretaris Teeven het moment waarop de advocaat in aanmerking komt voor een last tot toevoeging verlaten. Een last tot toevoeging wordt eerst afgegeven bij de gevangenhouding in plaats van bij de inbewaringstelling. Hierdoor wordt de piketfase verlengd waarin de advocaat werkt voor een vaste vergoeding. Deze vaste vergoeding doet echter geen recht aan de werkelijk gemaakte uren. Juist de beginfase van het strafproces is cruciaal. Het dossier moet bestudeerd worden, onderzoekswensen moeten geformuleerd worden, cliënten moeten bezocht worden en verhoren bijgewoond. Slechts een greep uit het takenpakket van de advocaat om een effectieve rechtsbijstand te kunnen verlenen in de beginfase en vaak ook cruciale fase van het strafproces.

Ons land verkeert in een economische crisis en Teeven stelt dat dit ook een ‘offer’ van de advocatuur vraagt. Het offer van de advocatuur moet kennelijk volgens Teeven 30% bedragen waarbij de vergoeding voor gefinancierde rechtsbijstand terug gaat naar het niveau van 1 januari 2000; een onbegrijpelijk offer. De NVJS zet in haar brief van 29 oktober 2013 bovendien helder uiteen dat dergelijke bezuinigingen op de gefinancierde rechtsbijstand niet alleen funest zijn voor de rechtsbescherming van de verdachte, maar dat dit bovendien zal betekenen dat de kosten in wezen worden verplaatst naar andere plekken en partners in de strafrechtketen en in wezen dus geen bezuinigingen zijn.

Doordat de advocaat bijvoorbeeld pas later recht heeft op een last tot toevoeging zullen processuele verzoeken pas in een later stadium worden gedaan, wat voor de nodige vertragingen, aanhoudingen en meer kosten zorgt.

Als jij voor een effectieve advocatuur staat die de rechtsbescherming van de verdachte hoog in het vaandel heeft staan, laat je dan horen en zien op maandag 11 november 2013. Bij de rechtbank Amsterdam zal middels een aantal ludieke acties aandacht voor dit probleem worden gevraagd.

#030: De advocaat als rund en de rechter die het vlees keurt

In het Advocatenblad van september 2013 stond een pakkend artikel over het verschil tussen advocaten en het Openbaar Ministerie: ‘De advocaat als rund’. Dit artikel laat zien dat de rechterlijke macht ‘de hand boven het hoofd’ van het Openbaar Ministerie houdt ten aanzien van beledigende uitlatingen over de verdachte. De advocaat wordt daarentegen ‘gestraft’ indien kritiek wordt geuit op de rechterlijke macht. Er wordt aldus met twee maten gemeten. Maar had het Hof de advocaat op deze gronden de mond mogen snoeren en naar de publieke tribune sturen onder het mom van ‘orde op de terechtzitting’? Of had de rechtbank bijvoorbeeld een tuchtrechtelijke klacht moeten indienen tegen de betreffende advocaat?

Advocaten leveren in het belang van hun cliënt vaak (felle) kritiek op de werkwijze van justitiële instanties en de rechterlijke macht. In de tuchtrechtspraak wordt echter het centrale criterium gehanteerd dat de advocaat grote vrijheid dient toe te komen bij de verdediging van zijn cliënt. Een advocaat heeft de verantwoordelijkheid een beargumenteerde afweging van belangen te maken. Dit betekent overigens geenszins dat deze vrijheid absoluut is. Een advocaat mag een rechter niet misleiden of derden beschuldigen van gedrag dat niet met feiten kan worden onderbouwd. Echter, een advocaat mag wel feiten naar voren brengen die voor derden kwetsend zijn , indien dit in het belang is van zijn cliënt.[1]

De vraag is aldus of de zinsnede “Veeleer lijkt er sprake te zijn van een kritiekloze volgzaamheid ten aanzien van de Hoge Raad, alsook van een gebrek aan zedelijke moed om de rechtsorde te verdedigen tegenover de schaamteloze serviliteit van de Hoge Raad ten opzichte van een misdadige politieke leiding, die vasthoudt aan de nucleaire systeemmisdaad” of de zinsnede “manifesteert de Hoge Raad zich als serviele en gewetenloze lakei van de politieke leiding van ons land” in het belang van zijn cliënt waren. Immers in dat geval mag de advocaat dergelijke opmerkingen wel degelijk maken. Nog daar gelaten of dezeüberhaupt kwetsend zijn.

Overigens mag een voorzitter op basis van de artikelen 124 en 272 Sv maatregelen treffen teneinde de orde op terechtzitting te handhaven; daartoe kan behoren het ontnemen van het woord aan een luidruchtige verdachte of aan een raadsman die zich tijdens zijn pleidooi herhaaldelijk bedient van strafbare uitlatingen jegens de rechterlijke macht, aldus de Advocaat-Generaal bij het betreffende arrest. De vraag is dus tevens of dergelijke uitlatingen van een advocaat als strafbaar zijn aan te merken en derhalve reden hadden mogen zijn om een advocaat het woord te ontnemen.

Het Hof heeft zich in bovenstaande zaak dus een belangrijk machtsmiddel toegeëigend door de advocaat de mond te snoeren en naar de publieke tribune te sturen. Dit terwijl men zich kan afvragen of dergelijke uitingen strafbaar zijn, aangezien het tuchtrecht van de advocaat stelt dat een advocaat grote vrijheid toekomt om de belangen van zijn cliënt te behartigen en mogelijk kwetsende opmerkingen te maken. Had de rechter niet gewoon een tuchtrechtelijke klacht moeten indienen zoals ook de mogelijkheid bestaat voor een advocaat om een klacht over een rechter in te dienen? Bij de deken kan immers een klacht worden ingediend door de cliënt, door een officier van justitie, door een rechter of zelfs door een derde, zolang de klager maar een eigen belang heeft bij de klacht.[2]

Of had de advocaat naar aanleiding van de ‘bestraffing’ door de rechter juist  grond om te wraken? Immers indien feiten of omstandigheden zich voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden is dit grond voor wraking. De meest frequent aangevoerde reden om te wraken, is de wijze waarop een rechter de zaak en/of partij behandelt. Als de rechter in plaats van een klacht in te dienen, op de stoel van de tuchtrechter gaat zitten, is dit dan een wrakingsgrond? Mag de rechter zich op die manier bemoeien met de invulling van de verdediging? Voorstelbaar is dat de ‘afstraffing’ van de advocaat die bepaalde uitlatingen doet, onder omstandigheden – tenminste – de schijn van partijdigheid kan wekken.

Wij zijn benieuwd naar jullie ervaringen met de wijze waarop een rechter omgaat met vergaande kritiek geuit in het belang van je cliënt. En  in het geval de rechter dergelijke uitlatingen ‘afstraft’, heeft het dat zin om in die situatie te wraken?


[1] Zie het boek van Taru Spronken, ‘Verdediging’, pagina 585 en 586, voetnoot 317 en 318. 

[2] mr. M.F. Attinger, Handboek strafzaken, 2.4 tuchtrecht algemeen.


#021: Op de barricades!?

Het wetvoorstel toezicht advocatuur brengt de nodige commotie met zich mee. De Orde van Advocaten roept in een brief van 25 juni 2013 advocaten op om zich op passende wijze tegen het wetsvoorstel te keren en op te komen voor de (echt) onafhankelijke advocatuur. De editie van juli 2013 van het Advocatenblad staat bomvol met artikelen over ‘Teevens toezichtstelsel’. Om een belangrijke bijdrage te kunnen leveren aan deze discussie en op passende wijze tegen het wetsvoorstel te keren, hierbij nog even in het kort de redenen waarom dit wetsvoorstel is ingediend, hoe Teeven het toezicht op de advocatuur wenst te regelen en wat de meest recente wijzigingen in het wetsvoorstel zijn.

In 2010 adviseerde Arthur Docters van Leeuwen om het toezicht op de advocaten te verbeteren. Staatssecretaris van Justitie, Fred Teeven, diende in 2011 een wetsvoorstel in dat moest leiden tot een onafhankelijke toezichthouder binnen de advocatuur. De Orde van Advocaten achtte dit toentertijd al onaanvaardbaar. In de nota naar aanleiding van het verslag  staat wat de aanleiding is geweest voor dit wetsvoorstel. Dit houdt verband met een algemeen beeld op de moderne toezichtseisen. Aan modern toezicht zou volgens de nota naar aanleiding van het verslag de volgende eisen worden gesteld; het toezicht moet transparant, uniform, onafhankelijk, proactief en effectief zijn. Waar deze moderne toezichtseisen vandaan komen blijkt echter niet uit de nota.

Daarnaast wordt geconstateerd dat recente incidenten waar advocaten brede aandacht hebben getrokken bij hebben gedragen aan het wetsvoorstel, alsook het stijgende aantal tuchtklachten tegen advocaten. Op grond daarvan wordt geconcludeerd dat normschendend gedrag van advocaten nooit geheel kan worden voorkomen, maar wel zou het toezichtssysteem zo moet worden opgezet dat normschendingen proactief worden aangepakt in plaats van repressief. Opmerkelijk is overigens dat de incidenten volgens de nota beperkt blijven tot het voorgaande en dat niet kan worden gesproken van een algemeen beeld van normvervaging.

Bovenstaande heeft geresulteerd in een tweede nota van wijziging  van de wet tot aanpassing van de Advocatenwet wat de herziening van het toezicht op naleving van voorschriften door advocaten regelt. In deze nota van wijziging wordt voorgesteld in de Advocatenwet te regelen dat één (landelijk) toezichthoudend orgaan, het college van toezicht, de eindverantwoordelijkheid draagt voor het toezicht op alle advocaten. Het college moet de integriteit en de kwaliteit van de beroepsgroep bewaken en bevorderen. Zonder enige aanleiding kan onderzoek worden gedaan bij alle advocaten. Deze proactieve opstelling van de dekens moet preventief werken en zo het tuchtrecht achteraf ontlasten. De toezichthouder wordt ook verantwoordelijk voor het toezicht op de naleving van de wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme.  De grootste kanttekening die vanaf het begin bij dit wetsvoorstel is  geplaatst, is de zorg of met een onafhankelijk toezichtsorgaan niet juist de onafhankelijkheid en de geheimhoudingsplicht van de advocaat in het gedrang komen.

Staatssecretaris Teeven probeert nu tegemoet te komen aan de bezwaren die tegen het wetsvoorstel zijn ingebracht. Vandaar dat Teeven op 3 juni 2013 een derde nota van wijziging naar de Tweede Kamer heeft gestuurd. Als het wetsvoorstel van Teeven in werking zou treden in de huidige vorm, dan zou dit voortaan betekenen dat de Nederlandse Orde van Advocaten kandidaten van het college kan voordragen en dat leden van het college bij koninklijk besluit worden benoemd. Ook geldt dat de Minister van Veiligheid en Justitie kandidaten voor benoeming in het college op zwaarwegende gronden kan weigeren. Een overzicht van de wijzigingen is te zien in het overzicht  aanpassingen wetsvoorstel herziening toezicht advocatuur.

De vraag is echter of hiermee tegemoet wordt gekomen aan de schreeuw vanuit de advocatuur om onafhankelijk te blijven. Ons inziens luidt het volmondige antwoord hierop : ‘Nee’. De overheid heeft een aanzienlijke rol in de benoeming van het toezicht en kan wel degelijk zijn invloed uitoefenen. Hierdoor zijn advocaten, vooral diegene die tegen de overheid procederen in bestuurs- en strafzaken, niet meer geheel vrij om onafhankelijk tegen de overheid op te treden. Een zinsnede in de nota naar aanleiding van het verslag is hiervoor typerend: ‘De wetgever bepaalt de reikwijdte en mate van overheidsbemoeienis’. Dit druist in tegen de kernwaarden van de advocatuur. Een advocaat moet niet, als hij op het scherpst van de snede tegen de overheid procedeert, worden geconfronteerd met een mogelijke controle van het toezichthoudend orgaan met inzage in het dossier.

Ten behoeve van de geheimhoudingsplicht staat in de nota van wijziging dat in de gevallen waarin de doorbreking van de geheimhoudingsplicht in de Advocatenwet wordt opgenomen, ter voorkoming van ieder misverstand, tevens wordt voorzien in een wettelijke regeling van de afgeleide geheimhoudingsplicht voor de toezichthouders. Dit betekent dus dat de toezichthouders een beroep kunnen doen op het afgeleid verschoningsrecht en daarmee de vertrouwelijkheid van het dossier van de advocaat gewaarborgd zou zijn. Dit is ons inziens wel heel marginaal en een spreekwoordelijk doekje voor het bloeden. Hoe moet je dat aan je cliënt uitleggen? “Uw gegevens zijn veilig bij ons. Maar o ja, het kan zijn dat de overheid inzage komt nemen in uw dossier. Ja, dezelfde overheid waar tegen u procedeert. Maar u hoeft niet bang te zijn hoor, het toezichtscollege van de overheid heeft een afgeleid verschoningsrecht.”

De aantasting van het aanzien van de advocatuur wordt mede aangetast door de mondiger geworden burgers, wat  tot een toename van klachten tegen advocaten heeft geleid. Tuchtzaken van bekende advocaten komen ook steeds vaker in het nieuws, met alle gevolgen van dien in de publieke opinie. Dit moeten wij ons als advocaten aantrekken. Het is onze taak om het vertrouwen in de advocaat herstellen. Daarbij zijn de aandachtspunten in het wetsvoorstel van groot belang; proactief toezicht in plaats van reactief. Dit rechtvaardigt ons inziens echter nog geenszins dat wij als advocaten onze belangrijkste kernwaarden moeten opgeven; onafhankelijkheid en vertrouwelijkheid. De wijzigingen van Teeven zorgen er allerminst voor dat deze kernwaarden beschermt blijven. Wij horen graag van jou hoe jij je vak gaat beschermen en ageert tegen deze veranderingen. Of ben jij van mening dat een onafhankelijk college past in de moderne tijd? Sta jij straks te demonstreren in Den Haag of niet?