#209: De strafrechter en het nemo tenetur beginsel

Het eeuwige spanningsveld tussen het strafrecht en het fiscale recht is dat de verdachte een zwijgrecht heeft en het recht om zichzelf niet te incrimineren, terwijl de belastingplichtige een informatieplicht heeft. Dit botst nogal eens. De verhouding tussen beiden is al diverse keren aan de orde geweest. Bestaat bijvoorbeeld nog een fiscale informatieverplichting op het moment dat je verdachte bent? Het 12 juli-arrest dat daarover gaat is alom bekend. In dit arrest was een geschil of de Belastingdienst fiscaal relevante informatie op straffe van het verbeuren van een dwangsom mag vorderen van een belastingplichtige, terwijl deze informatie mogelijk incriminerend kan zijn voor deze belastingplichtige. De Hoge Raad oordeelde kort gezegd dat een ieder is gehouden om aan zijn wettelijke fiscale verplichtingen te voldoen. Echter, het is vervolgens aan de straf- of boeterechter om afgedwongen wilsafhankelijk materiaal uit te sluiten voor de boete. Hoe gaat de strafrechter nu om met deze jurisprudentie?Lees verder

#199: Een gewaarschuwd OM telt voor twee?

Het nieuwe jaar begint vol nieuwe kansen; zo ook de jurisprudentie op basis waarvan het witwas tij lijkt te keren. Op de valreep van 2016 besteedden wij in vaklunch #197 al aandacht aan het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 13 december 2016. En niet lang daarvoor diende de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden van 28 oktober 2016 zich aan, waar wij in vaklunch #190 over schreven. In die zaak gaf Hof Arnhem-Leeuwarden het Openbaar Ministerie een signaal dat het niet achterover kan leunen indien een verklaring is gegeven voor de herkomst die min of meer plausibel is. Een goed voorbeeld doet volgen?Lees verder

#196: Een pleidooi is geen bewijs

Zoveel advocaten, zoveel meningen. En dus ook zoveel strategieën. Het komt in de praktijk wel voor dat een aanvankelijk gekozen verweer of strategie op een later moment wordt aangepast. Bijvoorbeeld in hoger beroep. Of indien een andere advocaat de zaak heeft overgenomen. In voorkomende gevallen kan een eerder gevoerd verweer of een eerder gegeven toelichting op de feiten op zijn minst ‘ongelukkig’ worden genoemd. In die gevallen kan de vraag opkomen of het pleidooi of de verklaring van de raadsman als bewijs kan worden gebruikt. Maar het strafrecht kent geen vrije bewijsleer, de wet bepaalt wat wel en niet als bewijs kan dienen. Het pleidooi en de verklaring van de raadsman vallen daar niet onder. Toch komt het voor dat de Hoge Raad – ondanks de duidelijke lijn in de jurisprudentie – zich geconfronteerd ziet met zaken waarin Hoven ten onrechte een mededeling of pleidooi van de raadsman wél als bewijs hebben gekwalificeerd.Lees verder

#179: Zijn rechters nog altijd ongehoorzaam?

De Hoge Raad heeft een strenge en duidelijke lijn uitgezet als het gaat om het sanctioneren van vormverzuimen. Politie en justitie dienen zich gedurende het opsporingsonderzoek uiteraard te houden aan de regels zoals geformuleerd in het Wetboek van Strafvordering. Doen zij dat niet, dan kunnen dergelijke vormverzuimen consequenties hebben. Artikel 359a Sv vormt de grondslag om te bepalen of dan wel welk gevolg aan een vormverzuim moet worden verbonden. Een van die gevolgen is de sanctie van bewijsuitsluiting. Het is aan de verdediging om op basis van de criteria, zoals uiteengezet door de Hoge Raad, een dergelijke sanctie te bewerkstelligen. Vorig jaar werd een trend ontdekt waarbij rechters sneller gevolgen verbonden aan vormverzuimen dan wellicht was bedoeld door de Hoge Raad. Is deze trend nog steeds waarneembaar?Lees verder

#172: To prove or not to prove

Zonder bewijs geen veroordeling. Het Wetboek van Strafvordering is glashelder. Het bewijs vormt de kern van ons strafvorderlijk stelsel. Artikel 339, lid 1, Sv bepaalt welke wettige bewijsmiddelen bestaan. Naast de eigen waarneming van de rechter zijn dat verklaringen van de verdachte, de getuige of de deskundige en schriftelijke bescheiden. Het tweede lid van artikel 339 Sv bepaalt verder dat ‘feiten of omstandigheden van algemeene bekendheid’ geen bewijs behoeven. Dat lijkt ook niet meer dan logisch. Het is een enorm voor de hand liggende bepaling. Want waarom zou er immers nog bewijs moeten worden geleverd voor het feit dat de lucht blauw is? Of voor het feit dat sneeuw wit is? Maar is het een feit van algemene bekendheid dat een jas met de opdruk “A.C.A.B.” beledigend is voor een agent? En is het algemeen bekend dat Aloë Capensis en Aloë Vera niet hetzelfde zijn? Wie bepaalt in dat geval wat algemene kennis is? Het antwoord op deze vraag bepaalt namelijk of het feit al dan niet bewezen moet worden.Lees verder

#152: Bijstand tijdens het politieverhoor

Vlak voor het kerstreces wees de Hoge Raad een interessant arrest over de raadsman bij het politieverhoor. Wij besteedden in vaklunch #145 al aandacht aan deze zaak waarin de Hoge Raad overweegt voortaan ervan uit te gaan dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie, behoudens bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken. De Hoge Raad gaat ervan uit dat met ingang van 1 maart 2016 toepassing zal worden gegeven aan de regel dat een aangehouden verdachte het recht heeft op bijstand van een raadsman tijdens zijn verhoor door de politie. Bij de bepaling van die datum is op dit punt rekening gehouden met de Europese Richtlijn die in november geïmplementeerd dient te zijn. De Hoge Raad neemt aan dat de eerder gesignaleerde beleidsmatige, organisatorische en financiële keuzes derhalve inmiddels zijn gemaakt.Lees verder

#148: Het ambtsedig proces-verbaal is (mis)leidend

Het Wetboek van Strafvordering kent een hoge bewijswaarde toe aan ambtsedige processen-verbaal. Recente jurisprudentie roept de vraag op of deze hogere bewijswaarde wel gerechtvaardigd is. Uit de jurisprudentie volgt dat de processen-verbaal nogal eens als misleidend worden gekwalificeerd. Althans, dat niet zonder meer de juistheid van die processen-verbaal kan worden aangenomen. En daar zijn in die gevallen veelal ook goede redenen voor. Hierover schreven we onder meer al in de artikelen #12, #43, #99 en #132. Indien in het strafrechtelijk vooronderzoek regels niet zijn nageleefd kan dit op basis van artikel 359a Sv tot de volgende consequenties leiden: de enkele constatering van het vormverzuim, strafvermindering of uitsluiting van het bewijs. In uitzonderlijke gevallen is er ruimte voor niet-ontvankelijk verklaring van het Openbaar Ministerie. Maar welke consequentie is nu passend indien blijkt dat sprake is van een misleidend proces-verbaal van een opsporingsambtenaar? Is de enkele constatering dat iets niet goed is gegaan voldoende? Of is niet-ontvankelijkheid het gewenste signaal om ervoor te zorgen dat dergelijke fouten niet meer zullen worden gemaakt?Lees verder

#110: Hoe structureel wil je vormverzuimen hebben?

Iedere Nederlander wordt geacht de wet te kennen en de wet na te leven. Maar hoe staat het met de degenen die controleren of wij dat ook doen? Onlangs bood kersverse minister van justitie Van der Steur het rapport getiteld ‘parate kennis bevoegdheden politie’ aan de Voorzitter van de Tweede Kamer aan. Het rapport gaat in op de politieambtenaren die het dagelijks contact met de bevolking hebben. De conclusie is dat er winst te boeken is op het niveau van de parate kennis ten aanzien van staande houden en aanhouden, onderzoek aan de kleding en aan het lichaam, binnentreden, doorzoeken, in beslag nemen en identiteitsonderzoek. Verwijt de pot de ketel dat hij zwart ziet?Lees verder

#106: Sla je slag

Stel, de strafrechter oordeelt dat bewijs dat door het Openbaar Ministerie is verzameld onrechtmatig is verkregen. Dat materiaal moet worden uitgesloten van het bewijs waardoor bij gebrek aan ander bewijsmateriaal een vrijspraak volgt. Eind goed, al goed. Maar in de fiscale procedure gebruikt de Inspecteur hetzelfde materiaal voor navorderingsaanslagen en eventuele bestuurlijke boetes. Dat is de wereld op z’n kop, toch?Lees verder