#406: Een krachtig signaal

Op 1 december 2020 heeft de Hoge Raad een overzichtsarrest gewezen over de toepassing van artikel 359a Wetboek van Strafvordering. Hierover schreven wij ook in Vaklunch #401 . In het nieuwe jaar wordt nu een ouder arrest gepubliceerd, van begin 2020. Wat hiervan de reden is, is voor ons niet geheel duidelijk. Wellicht dat men wil aantonen dat het beoordelingskader in het arrest van januari 2020 anders is geformuleerd dan het ‘nieuwe’ toetsingskader van de Hoge Raad. Wat ons betreft geeft het arrest van januari 2020 van het Hof Den Haag nog steeds een krachtig signaal over wanneer bewijsuitsluiting kan volgen en verdient het om die reden aandacht.

Het hof spreekt recht in een zaak waarin sprake was van een onrechtmatige doorzoeking. Een doorzoeking van een woonhuis dient onder leiding van of met machtiging van de rechter-commissaris plaats te vinden. Indien een dergelijke machtiging niet voorhanden is dan dient ondubbelzinnig toestemming door de bewoner te worden gegeven voor de doorzoeking. Daar was in dit geval geen sprake van. De politie heeft wel een toestemmingsverklaring laten tekenen maar deze was opgesteld in de Nederlandse taal terwijl de verdachte de Nederlandse taal niet machtig was. Het hof tilt zwaar aan dit vormverzuim, omdat het gaat om een inbreuk op het grondwettelijk beschermde huisrecht en een strafvorderlijk voorschrift. Het hof acht bewijsuitsluiting noodzakelijk als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm. Het hof sluit het gevonden materiaal daarom uit van het bewijs ten gevolge waarvan het tenlastegelegde niet kan worden bewezen, en spreekt de verdachte vrij.

Het hof heeft zich hierbij klaarblijkelijk gebaseerd op het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2013. Daarin heeft de Hoge Raad geoordeeld dat:

“…gevallen waarin het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van art. 6 EVRM niet (rechtstreeks) aan de orde is, maar sprake is van een ander belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel dat in aanzienlijke mate is geschonden” en “toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk (kan) worden geacht als middel om toekomstige vergelijkbare vormverzuimen die onrechtmatige bewijsgaring tot gevolg hebben te voorkomen en een krachtige stimulans te laten bestaan tot handelen in overeenstemming met de voorgeschreven norm.”

De Hoge Raad heeft in het arrest van 1 december 2020 het beoordelingskader verduidelijkt. Het beoordelingskader voor de gevallen waarin bewijsuitsluiting kan volgen door toedoen van een vormverzuim maar waarbij het recht van de verdachte op een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM niet rechtstreeks geschonden is, is als volgt. Het gaat dan om een schending van een ander strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. Indien in dat geval sprake is van een ernstige schending van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel dan kan onder omstandigheden toepassing van bewijsuitsluiting noodzakelijk worden geacht als rechtsstatelijke waarborg en als middel om met de opsporing en vervolging belaste ambtenaren te weerhouden van onrechtmatig optreden. Daarmee dient het als middel om te voorkomen dat vergelijkbare vormverzuimen in de toekomst zullen plaatsvinden. De volgende omstandigheden dienen vervolgens te worden afgewogen door de rechter om te bepalen of kan worden volstaan met strafvermindering of dat bewijsuitsluiting noodzakelijk is:

– De negatieve effecten van bewijsuitsluiting gelet op de zwaarwegende belangen van waarheidsvinding, vervolging en berechting.
– De ernst van het vormverzuim. Voor het bepalen van de ernst van het vormverzuim kan mede betekenis toekomen aan het verwijt dat aan politie en justitie kan worden gemaakt en aan de
omstandigheid dat een vormverzuim zich bij herhaling blijkt voor te doen, maar ook aan de omstandigheid dat door politie en justitie al maatregelen zijn getroffen om (verdere) herhaling tegen te gaan.

Hoewel het hof deze laatste afweging niet expliciet heeft gemaakt in de tekst van het arrest, menen wij dat de ernst van het vormverzuim dusdanig is dat het hof niets anders heeft gedaan dan recht spreken.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

Geen reacties

Plaats een reactie