#320: Failed parenting?

Dat er in strafrechtelijke onderzoeken nogal eens iets mis gaat is alom bekend. Vormverzuimen staan in menig strafzaak daarom hoog op de agenda van de verdediging. Artikel 359a Sv biedt een mechanisme dat moet waarborgen dat politie en justitie zich aan de strafvorderlijke regels houden. Als dat niet gebeurt, kunnen daar gevolgen aan worden verbonden door de strafrechter. Strafvermindering, bewijsuitsluiting en – in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie –, behoren tot de mogelijkheden. Helaas blijft het veelal bij een constatering van het verzuim, zonder consequenties. Deze milde consequenties doen voorkomen dat vormverzuimen niet erg zijn en dat strafvorderlijke regels met een korrel zout mogen worden genomen. Werkt dat meer vormverzuimen in de hand?
In het recente vonnis van Rechtbank Noord-Nederland van 23 april 2019 werd het vormverzuim van bewuste onjuiste verbalisering van processen-verbaal aan de orde gesteld. Hoewel de Rechtbank oordeelde dat “met grove veronachtzaming van de belangen van de verdediging” is gehandeld, ziet de rechtbank enkel grond voor bewijsuitsluiting en niet voor niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie. “De rechtbank neemt daarbij enerzijds in aanmerking dat het in deze zaak gaat om zeer ernstige verdenkingen, zodat het maatschappelijk belang bij vervolging zwaar moet meewegen bij de vaststelling van de rechtsgevolgen van het verzuim. Anderzijds kan aan het (evidente) nadeel dat de verdediging heeft geleden ook op minder verstrekkende wijze worden tegemoetgekomen, namelijk door (gedeeltelijke) bewijsuitsluiting.”

De achterliggende gedachte is dat een verdachte niet mag ‘profiteren’ van fouten van justitie. Maar is dat wel terecht, als sprake is van het bewust onjuist verbaliseren en de belangen van de verdediging op grove wijze te veronachtzamen? De gedachte dringt zich op dat een dergelijke houding van de rechter het signaal geeft aan politie en justitiedat het bewust onjuist verbaliseren enkel leidt tot uitsluiting van bewijs, maar dat dergelijke verzuimen niet zo erg zijn dat zij de zaak om zeep helpen. Afhankelijk van hetgeen politie en justitie voor ogen hebben, zal het bestraffen van vormverzuimen met een lichter antwoord dan niet-ontvankelijkheid er niet toe leiden dat politie en justitie hun lesje leren.

In een recente bijdrage in het Strafblad gaat mr. M. Goos, juridisch adviseur bij de politie, in op de kritiek op de milde bestraffing van vormverzuimen. Hij vraagt zich af of de rechter bij toepassing van artikel 359a Sv enkel de eerlijkheid van het proces moet beoordelen of dat hij ook oog moet hebben voor het opvoeden van politie en justitie. Daarover blijken de meningen in de praktijk verdeeld, maar mr. Goos concludeert dat de Hoge Raad meent dat artikel 359a Sv restrictief moet worden toegepast.

Mr. Goos concludeert verder dat uit de jurisprudentie niet blijkt dat sprake is van een ‘afgegleden’ opsporingsapparaat. Dat vinden wij niet zo verwonderlijk. Het blijkt in de praktijk immers geen sinecure om vormverzuimen aan het licht te brengen. In het hiervoor aangehaalde vonnis gaat het om door de verdediging ontdekte vormverzuimen. Politie en justitie lopen met gemaakte vormverzuimen, zeker als die bewust zijn gemaakt, niet te koop. Of vormverzuimen door de verdediging aan de orde worden gesteld, hangt af van de vraag of zij met die vormverzuimen bekend zijn. Zeker als het gaat om vormverzuimen waarmee wordt gepoogd rechters en de verdediging ‘om de tuin te leiden’, is de kans op ontdekking niet groot. Daarmee is de jurisprudentie per definitie geen goede graadmeter om te beoordelen of sprake is van een ‘afgegleden’ opsporingsapparaat.

In het artikel is verslag gedaan van de uitkomst van 47 geïnterviewde opsporingsambtenaren die bij vormverzuimen betrokken zijn geweest. Zij geven aan zich niet te herkennen in de gedachte dat het niet bestraffen van vormverzuimen, vormverzuimen in de hand werkt. De beroepseer is kennelijk groter dan dat. Nu ook bewuste vormverzuimen nog altijd voor blijken te komen lijkt de uitkomst van dit interview niet erg geloofwaardig. De opmerking van een van de geïnterviewden dat alles staat of valt met de terugkoppeling over zaken en vormverzuimen is wel interessant. Kennelijk is daar nog veel ruimte voor verbetering. Deze terugkoppeling naar het ‘werkveld’ waar vormverzuimen worden begaan, vindt kennelijk niet of nauwelijks plaats. Ons inziens zou dat geheel anders zijn indien vormverzuimen strenger worden bestraft en indien ook niet-ontvankelijkheid tot de sanctiemogelijkheden behoort. De ongehoorzame(feiten)rechters waar we in Vaklunch #179 over schreven zijn dus zo gek nog niet.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen met ons? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl.

Geen reacties

Plaats een reactie