#153: Gebruik van anoniem getuigenbewijs

Sommige strafvorderlijke regels zijn een must voor elke advocaat. Zoals bijvoorbeeld de spelregels omtrent het gebruik van een verklaring van een getuige wiens identiteit niet bekend is. Een recent arrest van de Hoge Raad vormt een mooie aanleiding om deze regels weer eens in herinnering te brengen.

Artikel 344a, derde lid, Sv bepaalt dat voor het bewijs van het tenlastegelegde feit geen gebruik mag worden gemaakt van een schriftelijk stuk houdende een verklaring van een persoon wiens identiteit niet bekend is tenzij de bewezenverklaring in belangrijke mate steun vindt in ander bewijsmateriaal. De verdachte moet dan niet op enig moment te kennen hebben gegeven dat het deze niet-geïdentificeerde getuige wil horen. Artikel 360, eerste lid, Sv bepaalt verder dat het gebruik van het bewijs van een dergelijk stuk nader moet worden gemotiveerd. Uit die nadere motivering moet blijken dat aan de eisen van artikel 344a, derde lid, Sv is voldaan. De rechter moet ook zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaring onderzoeken.

Kortom, de verdediging kan vrij makkelijk het gebruik van een anonieme getuigenverklaring voorkomen door tijdens de zitting aan te geven dat het de niet-geïdentificeerde getuige wil ondervragen. Een verzoek dat niet op de terechtzitting is gedaan, of een verzoek dat in eerste aanleg is gedaan maar niet bij de behandeling in hoger beroep uitdrukkelijk is herhaald, wordt blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad niet als een verzoek in de zin van artikel 344a, lid 3, onder b, Sv beschouwd.

Dit betekent overigens niet dat de verdediging daarna achterover kan leunen. Gebruikt een hof toch de anonieme getuigenverklaring als bewijs, dan leidt dit in beginsel tot nietigheid ex artikel 360, vierde lid, Sv. Dit is echter anders als de verklaring betrekking heeft op een omstandigheid die in het licht van de gehele bewijsvoering van ondergeschikte aard is zodat het verzuim niet afdoet aan de toereikendheid van de bewijsmotivering. Een (cassatie)beroep moet dus altijd gronden bevatten waaruit volgt waarom de getuigenverklaring een cruciale rol speelt in de bewijsconstructie.

De verdediging moet ook alert blijven op de vraag of inderdaad sprake is van ‘een persoon wiens identiteit niet bekend is’. De Hoge Raad heeft namelijk de reikwijdte van artikel 344a, lid 3, Sv in vergaande mate beperkt door niet al te snel aan te nemen dat er sprake is van een persoon wiens identiteit niet bekend is. Staan er in het verhoor omstandigheden waardoor men de getuige – theoretisch bezien – kan individualiseren – en dus oproepen – dan is geen sprake van een getuige waarvan de identiteit niet bekend is. Dat is bijvoorbeeld het geval indien uit het verhoor blijkt waar de betreffende getuige of opsporingsambtenaar werkzaam is. De persoon moet aldus ‘individualiseerbaar’ zijn zodat de getuige kan worden opgeroepen door de verdediging.

In een recent arrest van de Hoge Raad gaat het om het gebruik van een verklaring van een buurtbewoner. Met een verwijzing naar het arrest uit 2002 oordeelt de Hoge Raad dat derhalve geen sprake is van een getuige wiens identiteit niet bekend is. Dat sprake is van een buurtbewoner moet dan wel blijken uit het proces-verbaal. Mocht daar onduidelijkheid over bestaan, dan dient het proces-verbaal wel te worden aangemerkt als een schriftelijk bewijsstuk als bedoeld in artikel 344a, derde lid, Sv blijkens een eveneens recent arrest van de Hoge Raad.

Het is dus raadzaam om getuigen van wie de identiteit niet bekend is altijd ter terechtzitting op te roepen indien zij een belastende verklaring hebben afgelegd. Daarbij is het ook van belang te motiveren waarom de identiteit onvoldoende individualiseerbaar is om de betreffende persoon op te roepen.

Heeft artikel 344a, derde lid, Sv in jouw praktijk al eens het verschil gemaakt?

Geen reacties

Plaats een reactie