#401: De integriteit van de rechtsstaat staat op het spel

Waar gaat het naar toe met de rechtsstaat? Dat is de vraag die bij ons opkomt bij het lezen van het arrest van de Hoge Raad van 1 december 2020. De Hoge Raad geeft in dit arrest een overzicht van de arresten die als leidend gelden voor de toepassing van artikel 359a Sv en ziet aanleiding de precieze formulering van enkele daarin opgenomen maatstaven te nuanceren of bij te stellen. Een bekend spoorboekje met enkele nuances, maar dat toch een vervelende nasmaak krijgt.

Artikel 359a Sv biedt een mechanisme dat indien politie en justitie zich niet aan de strafvorderlijke regels houden daar gevolgen aan kunnen worden verbonden. Strafvermindering, bewijsuitsluiting en in uitzonderlijke gevallen niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, behoren tot de mogelijkheden. Helaas blijft het veelal bij een constatering van het verzuim, zonder consequenties. In diverse Vaklunches, zoals #346, #320 of #304 hebben wij onze zorgen geuit over het feit dat dit meer vormverzuimen in de hand werkt. De Hoge Raad draagt daar nu zijn steentje aan bij.

De nuanceringen die de Hoge Raad aanbrengt op de eerdere rechtspraak zien in de eerste plaats op de bestaande beperking tot vormverzuimen die zijn begaan bij “het voorbereidend onderzoek” tegen de verdachte. De Hoge Raad verduidelijkt dat het niet alleen gaat om handelingen of vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek, maar dat het ook kan gaan om een vormverzuim of onrechtmatige handeling die van bepalende invloed is geweest op het verloop van het opsporingsonderzoek naar en/of de (verdere) vervolging van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde feit.

In de tweede plaats gaat de Hoge Raad in op de toepassingsvoorwaarden voor de rechtsgevolgen strafvermindering, bewijsuitsluiting respectievelijk niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging. Het toetsingskader wordt met name verduidelijkt op punten. Tot slot maakt de Hoge Raad enkele opmerkingen over de beoordeling van de feitelijke grondslag van verweren die strekken tot toepassing van artikel 359a Sv. Het gaat de omvang van deze Vaklunch te buiten om de nuanceringen te bespreken.

Waar wij wel graag aandacht aan willen besteden is het oordeel van de Hoge Raad dat het niet de taak en verantwoordelijkheid van de strafrechter is, de rechtmatigheid en de integriteit van het optreden van politie en justitie als geheel te bewaken. De strafrechter moet zich aldus met name bezig houden met de vraag of de verdachte het gedaan heeft. Deze houding werkt ons inziens misstanden in de hand. Conform de machtenscheiding van Montesquieu dienen de wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht elkaar te controleren. Echter onze rechter controleert kennelijk alleen of de burger zich houdt aan het Wetboek van Strafrecht. Of de uitvoerende macht zich daarbij houdt aan het Wetboek van Strafvordering is duidelijk van ondergeschikt belang. Slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen daar consequenties aan worden verbonden.

Welke middelen hebben wij als burger dan wel om ervoor te zorgen dat politie en justitie zich integer gedragen? Wij kunnen een klacht indienen of aangifte doen. Als je het ons vraagt wordt het zo van kwaad tot erger. Het Wetboek van Strafrecht en Strafvordering zijn dusdanig met elkaar verbonden dat een schending van de wet door de overheid wel degelijk gevolgen zou moeten hebben voor een strafzaak van de verdachte. Dat beoogt het systeem van checks and balances ook zodat de rechtsprekende macht toezicht houdt op de uitvoerende macht. De rechter zou juist moeten instaan voor de integriteit van het justitiële systeem als een geheel. Een gemiste kans om recht te doen.

Heb je vragen over het voorgaande of wil je hierover van gedachten wisselen? Neem dan contact op met boezelman@hertoghsadvocaten.nl of boer@hertoghsadvocaten.nl. Uiteraard is het ook mogelijk om over dit onderwerp te praten in een digitale Vaklunch on demand.

 

Geen reacties

Plaats een reactie