#166: Geen bewezenverklaring, toch veroordeeld

In #144 verwonderden wij ons over het vonnis van Rechtbank Limburg van 3 november 2015. In die zaak heeft de rechtbank de betrokkene op juridische gronden vrijgesproken maar voegde aan het vonnis toe dat dat voor de rechtbank een ‘zeer onbevredigende uitkomst’ was. Wij bekritiseerden deze toevoeging van de rechtbank omdat zij buiten haar taak trad. Ons inziens is het niet aan de rechter om in het kader van het maatschappelijk belang een technische vrijspraak van de nodige kanttekeningen te voorzien. Voor deze verdachte eindigde de zaak ondanks dat de rechtbank meende dat sprake is van strafbare – maar niet ten laste gelegde – feiten in een vrijspraak. Rechtbank Rotterdam vat zijn taken echter nog ruimhartiger op dan de Rechtbank Limburg. In het vonnis van 22 oktober 2015 – dat onlangs is gepubliceerd – overweegt de rechtbank dat het ten laste gelegde niet bewezen kan worden maar veroordeelt de verdachte toch.Lees verder

#157: Rechter blijf bij uw leest

In artikel #024 schreven wij over een prikkelend artikel van mr. L.M.G. de Weerd ‘Geen scheidsrechter, maar rechter’ waarin hij aandacht vraagt voor het feit dat de rechter zijns inziens waar nodig een helpende hand moet bieden. Hij schrijft: “Als de officier van justitie een lekke band heeft, mag de rechter die best plakken”. Hij noemt als voorbeeld de situatie waarin de tenlastelegging een fout bevat. De Weerd meent dat er dan niets op tegen is als de rechter de officier van justitie wijst op dergelijke fouten. Toch kan een dergelijke houding van een rechter een succesvolle wraking opleveren. Hoe ver mag een rechter nu gaan?Lees verder

#144: Vrijspraak, maar toch veroordeeld

In #024 schreven wij al over het artikel van mr. De Weerd waarin hij aandacht vraagt voor zijn standpunt dat de rechter in strafzaken – waar nodig – procespartijen de helpende hand moet bieden. Het is de vraag of dat past binnen ons stelsel met een strenge grondslagleer die inhoudt dat de strafrechter na het onderzoek ter terechtzitting beraadslaagt en (eind)beslissingen neemt op grond van ‘de tenlastelegging’. De ratio achter deze grondslagleer is onder meer het bevorderen van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. De rechter treedt daardoor niet in het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie die daartoe politieke verantwoordelijkheid draagt. Dat is niet de taak van de rechter. Ons inziens past een actieve rechter die het Openbaar Ministerie ‘helpt’ niet binnen ons rechtsbestel. In dat kader wees Rechtbank Limburg onlangs een bijzonder opmerkelijk vonnis.Lees verder

#135: Een friendly reminder van de Hoge Raad

In artikel #119 besteedden wij al aandacht aan de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 AWR. Dit artikel bepaalt dat – indien een delict kan worden gekwalificeerd als bedoeld in artikel 69, eerste en tweede lid, AWR – de verdachte niet (ook) mag worden vervolgd voor valsheid in geschrifte als bedoeld in artikel 225, tweede lid, Sr. Wij signaleerden toen dat dergelijke vervolgingen in de praktijk niettemin met enige regelmaat voor blijken te komen. De omgekeerde situatie – vervolgen voor een fiscaal delict terwijl (wellicht) sprake is van artikel 225 Sr – doet zich echter ook voor. Dit blijkt uit een arrest van de Hoge Raad van 6 oktober 2015.Lees verder

#133: Witwassen en de buitenlandse bankrekening

Even schrokken wij toen een bijdrage op bijzonderstrafrecht.nl kopte: “Geld voorhanden hebben op buitenlandse rekening is voldoende om geld uit eigen misdrijf wit te wassen. AG: dat is anders als het om rekening in NL gaat.” Betekent dit dat het niet aangeven van buitenlandse tegoeden en het voorhanden hebben daarvan automatisch witwassen oplevert? Vallen alle UBS bankiers straks in de prijzen? Zijn we terug bij het automatisch verdubbelen van strafbare feiten door ergens een witwasetiket op te plakken? Gelukkig lijkt het arrest iets genuanceerder dan de titel doet voorkomen. Lees verder

#128: Het zijn net mensen

De televisieserie ‘Kijk in de ziel van rechters’ zal velen van u niet ontgaan zijn. In de serie maakt de kijker kennis met rechters en de te nemen beslissingen waar zij iedere dag mee te maken hebben. Rechters worstelen dagelijks met moeilijke vraagstukken en afwegingen van belangen. In deze serie was te zien dat rechters net mensen zijn, emoties hebben en soms ook deze emoties in de rechtszaal laten zien. Soms gaat dat te ver en wekt dat de schijn van partijdigheid. In dat geval kan de rechter gewraakt worden basis van artikel 512 Sv omdat hij zich niet als onbevangen en onpartijdige procespartij laat zien. Rechters mogen niet de schijn van partijdigheid wekken. Over de vraag of het wrakingsverzoek terecht is geweest beslissen doorgaans collega-rechters. De vraag is of een collega-rechter – ook een mens – onpartijdig over zijn directe collega kan oordelen. Om ook deze schijn te voorkomen en te onderzoeken of de behandeling van een wrakingsverzoek door een externe kamer bijdraagt aan het vertrouwen van rechtzoekende als het aankomt op wraking, is in 2014 de pilot ‘externe wrakingskamer’ opgezet. Heeft deze pilot nu een kritischere wrakingskamer opgeleverd?Lees verder

#123: Sluit opzet schuld uit?

Hoewel het soms lijkt alsof het ten laste leggen van witwassen voor het Openbaar Ministerie ‘prijsschieten’ is, blijkt het Openbaar Ministerie soms ook de deksel op de neus te krijgen. Hof Amsterdam sprak de verdachte in het arrest van 30 juli 2013 vrij van het ten laste gelegde schuldwitwassen omdat enkel sprake was van een vermoeden van opzetwitwassen. Bewijs voor schuldwitwassen ontbrak, volgens het Hof. Maar het luistert volgens de Hoge Raad nauw als het aankomt op de bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten. En het één – opzetwitwassen – sluit het ander – schuldwitwassen – niet uit. Maar wat is nu het verschil?Lees verder

#119: Het fiscale strafrecht als specialis

Het fiscale strafrecht heeft op een enkel gebied zijn eigen regels en eigenaardigheden. Dit blijkt reeds uit de vervolgingsuitsluitingsgrond van artikel 69 lid 4 AWR. In dit artikel is bepaald dat, indien een fiscaal delict kan worden gekwalificeerd als een delict onder artikel 69 eerste en tweede lid AWR, de verdachte ter zake niet (ook) mag worden vervolgd voor valsheid in geschrifte als bedoeld in artikel 225 tweede lid van het Wetboek van Strafrecht. Niettemin blijken dergelijke vervolgingen in de praktijk met enige regelmaat voor te komen. Op www.rechtspraak.nl zijn negentien publicaties over dit onderwerp te vinden. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft zich op 9 juni 2015 nog over dit onderwerp uitgelaten. Het lijkt erop dat de feitenrechters verdeeld blijven over de reikwijdte van deze uitsluitingsgrond.Lees verder

#116: Een aanhoudingsverzoek kan niet zomaar worden afgewezen

Het verkrijgen van alle processtukken in een strafrechtelijk onderzoek is over het algemeen geen sinecure. De verdediging krijgt – ondanks herhaalde verzoeken – regelmatig en vaak in een laat stadium de processtukken en wordt dan nogal eens geconfronteerd met een beperkt tijdsbestek om die processtukken te bestuderen en met de cliënt te bespreken. Dit gebeurt niet alleen in de fase van de inverzekeringstelling en de toetsing van het verzoek om voorlopige hechtenis. Het kan ook voorkomen dat dit gebeurt kort voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling of zelfs tijdens de inhoudelijke behandeling van de zaak. In het laatste geval is het evident dat de verdachte en de verdediging gelegenheid moet krijgen zich uit te laten over het hen onbekende document dat kennelijk relevant is. Zeker in hoger beroep, waar sprake is van de ‘laatste ronde’ van feitelijke toetsing, geldt dit. Indien de rechter de verdediging niet of onvoldoende gelegenheid geeft om het nieuwe processtuk te bestuderen door een aanhoudingsverzoek in dat kader af te wijzen, dan dient die beslissing voldoende gemotiveerd te worden. De Hoge Raad heeft hier onlangs een interessant arrest gewezen.

In deze zaak heeft het Hof tijdens de ondervraging van de verdachte ter zitting een document voorgehouden van de Financial Intelligence Unit van Liechtenstein. Dit kwam aan de orde nadat de verdachte ter zitting heeft verklaard over transacties naar een rekening in Liechtenstein. Het document was (kennelijk) verkregen door het Openbaar Ministerie naar aanleiding van een rechtshulpverzoek. Een kopie van het document is aan het Hof verstrekt, maar niet aan de verdediging. Ter zitting is de verdachte en de verdediging een half uur de tijd gegund om het document te bestuderen. Dit bleek niet voldoende, waarop de verdediging vervolgens heeft verzocht de behandeling van de zitting aan te houden. Het Hof heeft dat als volgt afgewezen: ‘In het licht van de tenlastelegging en de door de verdachte afgelegde verklaring is er geen begin van aannemelijkheid dat de overige stukken die naar aanleiding van het rechtshulpverzoek zijn toegevoegd, van belang zijn voor de beantwoording van enige vraag in het licht van de tenlastelegging. Het hof zal geen acht slaan op de overige stukken (…). Mocht het hof bij de beraadslaging in raadkamer menen dat de stukken alsnog van belang zijn, dan zal het onderzoek worden heropend en zullen de stukken alsnog aan de orde worden gesteld.’ Een teleurstellende beslissing. Hoewel het Hof meent dat de stukken niet van belang zijn in het kader van de tenlastelegging, heeft het Openbaar Ministerie kennelijk wel reden gezien het aan het dossier te voegen. Daarnaast is niet uitgesloten dat de verdediging de stukken van belang acht.

Tegen de beslissing van het Hof is cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft in het arrest van 31 maart 2015 korte metten gemaakt met het oordeel van het Hof. De Hoge Raad oordeelt dat de door het Hof genoemde gronden de afwijzing van het aanhoudingsverzoek niet kunnen dragen. ‘Dat het Hof de stukken waarop het verzoek betrekking heeft – welke stukken op enig moment aan het dossier zijn toegevoegd – niet van belang acht en heeft aangekondigd op die stukken geen acht te slaan, sluit immers niet uit dat de verdediging belang kan hebben bij voldoende gelegenheid die stukken te bestuderen en in haar voorbereiding van de verdediging te betrekken.’ Ons inziens is dit een juiste beslissing. Partijen zijn gebonden aan de beginselen van een goede procesorde en indien nieuwe stukken zijn gevoegd in hoger beroep ex artikel 414 Sv, moeten partijen in de gelegenheid worden gesteld daarvan kennis te nemen. Die stukken moet het Hof ook bij de beraadslaging betrekken (Vgl. HR 29 juni 2010). Het middel is gegrond verklaard en de zaak is teruggewezen naar het Hof.

Nadere aandacht verdient nog een voetnoot bij de cassatieschriftuur over de opmerking van het Hof ‘dat de verdediging de stukken had kunnen inzien’. Opgemerkt wordt dat de verdediging recht heeft op een afschrift van de stukken en daar ook om heeft gevraagd. De verdediging mag er dan op vertrouwen dat de processtukken in kopie worden verstrekt. Zonder aanwijzing dat sprake is van het tegenovergestelde, is er geen reden het dossier in te zien. Moet het arrest van de Hoge Raad – waarin niet expliciet aandacht aan dit punt is geschonken – nu zo worden gelezen dat het niet nemen van inzage in het dossier, voorafgaand aan de zitting, de verdachte en de verdediging niet kan worden tegengeworpen? Ons inziens is dat de juiste lezing. Het arrest geeft ook geen aanknopingspunten om een ander uitgangspunt te hanteren. Overigens laat deze kwestie nog wel het belang zien van het nemen van inzage in het dossier. Indien het Hof deze voor de verdachte en de verdediging onbekende processtukken niet had voorgehouden, en de zaak was afgedaan met de bekende riedel dat het Hof – met toestemming van de verdediging – de stukken voorgehouden acht, dan had de verdediging het stuk niet gekend en kunnen betrekken in de voorbereiding van de verdediging.

Wat is jouw ervaring met aanhoudingsverzoeken in een dergelijke situatie? Wordt een dergelijk verzoek veelal toegewezen? En hoe ga je om met een afwijzing?

#104: Het alternatieve scenario

Heeft de verdachte het gedaan of niet? Om die vraag te beantwoorden is niet alleen van belang of sprake is van wettig bewijs. Dat bewijs moet ook overtuigend zijn. Als dat niet het geval is, kan geen veroordeling volgen. Het schetsen van een alternatief scenario dat op basis van de beschikbare bewijsmiddelen ook kan hebben plaatsgevonden – niet zijnde hetgeen ten laste is gelegd – kan aan die rechterlijke overtuiging in de weg staan. Het gaat dus om het subjectieve oordeel van de rechter. Het moet uiteraard wel om een geloofwaardig alternatief scenario gaan dat met zoveel mogelijk bewijs moet zijn omgeven. In de praktijk lijkt het fenomeen van het alternatieve scenario aan populariteit te winnen. Maar wanneer is een dergelijk verweer zinvol?Lees verder