#157: Rechter blijf bij uw leest

In artikel #024 schreven wij over een prikkelend artikel van mr. L.M.G. de Weerd ‘Geen scheidsrechter, maar rechter’ waarin hij aandacht vraagt voor het feit dat de rechter zijns inziens waar nodig een helpende hand moet bieden. Hij schrijft: “Als de officier van justitie een lekke band heeft, mag de rechter die best plakken”. Hij noemt als voorbeeld de situatie waarin de tenlastelegging een fout bevat. De Weerd meent dat er dan niets op tegen is als de rechter de officier van justitie wijst op dergelijke fouten. Toch kan een dergelijke houding van een rechter een succesvolle wraking opleveren. Hoe ver mag een rechter nu gaan?

Op 2 maart 2016 deed de wrakingskamer van Rechtbank Gelderland onderzoek naar het gedrag van mr. W.A. Holland. In deze zaak heeft de rechter opheldering gevraagd bij de officier van justitie over de verhouding tussen feit 1 en 2 op de tenlastelegging. De officier van justitie heeft daarop toegelicht dat het om twee aparte feiten ging. De rechter constateerde vervolgens dat de twee feiten elkaar uitsloten omdat het ene feit uitgaat van de situatie dat de verdachte gelden door een misdrijf onder zich heeft gekregen en feit 2 de situatie schetst dat de gelden anders dan door misdrijf zijn verkregen. De officier van justitie gaf de rechter hier vervolgens gelijk in en heeft aangegeven dat feit 1 als primair moest worden gezien en feit 2 als subsidiair. Hij voegde daar niettemin aan toe dat de twee feiten ook zo zouden kunnen blijven staan. In reactie hierop heeft de rechter aangegeven dat dit niet zonder een wijziging van de tenlastelegging mogelijk was.

De verdediging heeft hierop direct verzocht om schorsing van de zitting voor beraad. De officier van justitie heeft hierop doodleuk aangegeven dat hij gedurende deze schorsing de tenlastelegging kon wijzigingen. Daar dacht de verdediging echter anders over en diende een wrakingsverzoek in omdat de rechter zich teveel met de regie van de tenlastelegging had bemoeid waardoor er bij verzoeker de vrees was ontstaan dat de voorzitter van de rechtbank vooringenomen was en dat die vrees ook objectief gerechtvaardigd was.

De voorzitter van de rechtbank heeft daarop gereageerd door te melden dat hij zich ongelukkig had uitgelaten. In plaats van te refereren aan een wijziging tenlastelegging had hij moeten zeggen dat het wat hem betreft geen kennelijke verschrijving was. De wrakingskamer overweegt in deze zaak als volgt:

“Alhoewel zeer wel begrijpelijk is dat de rechter duidelijkheid wilde over de wijze van tenlasteleggen waarover de rechtbank uiteindelijk moet oordelen, had de rechter ook in andere, minder stellige bewoordingen kunnen reageren. Door aldus en onder deze omstandigheden (waarbij de advocaat van verzoeker op dit punt een preliminair verweer wilde voeren) op eigen initiatief de officier van justitie te wijzen op een mogelijke tegenstrijdigheid in de dagvaarding en een mogelijke oplossingsrichting, is voorstelbaar dat op deze wijze bij verzoeker de indruk zou kunnen ontstaan dat de rechter de officier van justitie wilde helpen, althans wilde behoeden voor een fout c.q. onduidelijkheid in de tenlastelegging.”

Opmerkelijk vinden wij dat de wrakingskamer de mogelijkheid openlaat dat de rechter wel in minder stellige bewoordingen had kunnen reageren. Betekent dit dat als de rechter voldoende hints maakt richting het Openbaar Ministerie over een onjuistheid in de tenlastelegging, dit dan wel is toegestaan? Had de rechter dan wel mogen opmerken dat de wijze van ten laste leggen wat hem betreft geen kennelijke verschrijving opleverde?

Wij menen dat dit niet zou moeten kunnen. Nederland kent een strenge grondslagleer. Dit betekent dat de strafrechter na het onderzoek ter terechtzitting beraadslaagt en (eind)beslissingen neemt op basis van de ‘grondslag van de tenlastelegging’. De achterliggende reden is dat de verdachte weet waartegen hij zich moet verdedigen en niet wordt geconfronteerd met een alternatieve dan wel creatieve interpretatie van de tenlastelegging.

De ratio achter deze grondslagleer is daarnaast het bevorderen van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. De rechter treedt daardoor niet in het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie, die daartoe politieke verantwoordelijkheid draagt. Dat is niet de rol van de rechter.

Zou de rechter hebben gemeld dat een fout in de tenlastelegging wat hem betreft geen kennelijke verschrijving oplevert, is dat wat ons betreft hetzelfde als het aanraden van het Openbaar Ministerie de tenlastelegging te wijzigen. De vraag is echter wel wat de betrokken verdachte in deze zaak aan het succesvolle wrakingsverzoek heeft. Het leed is immers al geschied.

De officier van justitie zal hoogstwaarschijnlijk een verzoek wijziging tenlastelegging indienen tijdens de volgende zitting. De gewraakte rechter heeft het Openbaar Ministerie een helpende hand geboden om de nietigverklaring van de tenlastelegging te voorkomen en de nieuwe rechter zal alsnog over de gewijzigde tenlastelegging oordelen.

Hoe actief vind jij dat de rechter mag zijn met een helpende hand richting het Openbaar Ministerie?

Geen reacties

Plaats een reactie