#144: Vrijspraak, maar toch veroordeeld

In #024 schreven wij al over het artikel van mr. De Weerd waarin hij aandacht vraagt voor zijn standpunt dat de rechter in strafzaken – waar nodig – procespartijen de helpende hand moet bieden. Het is de vraag of dat past binnen ons stelsel met een strenge grondslagleer die inhoudt dat de strafrechter na het onderzoek ter terechtzitting beraadslaagt en (eind)beslissingen neemt op grond van ‘de tenlastelegging’. De ratio achter deze grondslagleer is onder meer het bevorderen van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. De rechter treedt daardoor niet in het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie die daartoe politieke verantwoordelijkheid draagt. Dat is niet de taak van de rechter. Ons inziens past een actieve rechter die het Openbaar Ministerie ‘helpt’ niet binnen ons rechtsbestel. In dat kader wees Rechtbank Limburg onlangs een bijzonder opmerkelijk vonnis.

De Rechtbank Limburg vroeg op de website rechtspraak.nl aandacht voor dit vonnis met de kop ‘onbevredigende vrijspraak na dollemansrit’. De zaak ligt als volgt. Aan de verdachte is ten laste gelegd dat hij geprobeerd heeft acht agenten zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door met zijn auto met hoge snelheid op die agenten in te rijden. Ook is de verdachte ten laste gelegd dat hij zich vervolgens met geweld tegen zijn aanhouding zou hebben verzet. De rechtbank heeft de verdachte van deze feiten vrijgesproken omdat er teveel feitelijke onduidelijkheden in het dossier zitten zoals welke verbalisanten zich op welk moment waar bevonden, de snelheid waarmee de verdachte reed, de plaats op de weg en de mogelijke botsplaatsen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond. Ook het tweede feit kon niet bewezen worden verklaard. Tot zover een juridisch juist vonnis en niets verwonderlijks. Maar de rechtbank heeft nog gemeend iets extra’s te moeten opmerken over deze vrijspraak:

‘Voor de rechtbank is de vrijspraak, hoewel juridisch juist, een zeer onbevredigende uitkomst. Een uitkomst waarvan de rechtbank beseft dat zij ook moeilijk aan de maatschappij en de aangevers valt uit te leggen. Verdachte wordt immers niet veroordeeld voor de dollemansrit, waarbij hij meerdere verkeersovertredingen heeft begaan en die de aangevers buiten twijfel als zeer bedreigend hebben ervaren. Het bedreigende karakter van de handelingen van de verdachte miskent de rechtbank allerminst en ook de impact hiervan op de betrokken verbalisanten dient niet gebagatelliseerd te worden. Het verwerpelijke rijgedrag van verdachte zou gekwalificeerd kunnen worden als een bedreiging richting de verbalisanten en als het plegen van diverse verkeersovertredingen. Dat is hem echter niet tenlastegelegd. En omdat de rechtbank alleen kan beoordelen wat in de tenlastelegging staat, kan de rechtbank ook alleen een oordeel geven over de vraag of de verdachte geprobeerd heeft de verbalisanten zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Zoals in het voorgaande uiteen is gezet, kan – door de strenge eisen die de jurisprudentie hieraan stelt – echter niet bewezen worden dat er een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel bestond. Dit heeft als juridische consequentie dat verdachte vrijgesproken wordt van de tenlastegelegde poging tot het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. In deze zaak betekent dit echter ook dat de verdachte volledig vrijuit gaat wat zijn dollemansrit betreft.’

De rechtbank wijst het Openbaar Ministerie expliciet op de tekortkomingen in de tenlastelegging en meent dat de verdachte wel degelijk strafbare feiten heeft gepleegd. Echter kon niet tot een bewezenverklaring worden gekomen omdat deze feiten niet ten laste zijn gelegd. Vrijspraak, maar kennelijk toch niet helemaal dus. De rechtbank neemt als het ware alvast een schot voor de boeg op een eventuele wijziging tenlastelegging in hoger beroep, als de feiten dat zouden toelaten. Maar is dit wel de taak van de rechter? Wij menen van niet. Het is de taak van de rechter om juridisch juiste beslissingen te nemen. Daarbij moet het recht op een eerlijk proces en het waarborgen van het beginsel van equality of arms dienen voorop te staan in het strafproces.

Waardoor zijn de ‘aanvullende overwegingen’ van de rechtbank in dit vonnis ingegeven? Is het de uitleg aan de maatschappij waar de rechtbank op vooruit wil lopen? Is het een manier om de verdachte toch niet helemaal vrijuit te laten gaan? Of wil de rechtbank het Openbaar Ministerie ‘gewoon’ een handje helpen?

Vanuit de advocatuur is reeds het nodige commentaar op deze ‘aanvullende overwegingen’ geuit.[1] Wat vind jij? Mag de rechtbank zich op deze wijze uitlaten?

[1] Zie Hans Oudijk, ‘Vonnispopulisme’, Advocatenblad, december 2012, nr. 12, pagina 57 – 58.

Geen reacties

Plaats een reactie