#024: Tour de France praktijken in het strafproces

Mr. L.M.G. de Weerd vraagt in zijn bijdrage ‘Geen scheidsrechter, maar rechter’[1] op prikkelende wijze aandacht voor het feit dat de rechter zijns inziens waar nodig een helpende hand moet bieden. Juridisch Nederland is bij wijze van uitzondering opgeroepen om te reageren op het artikel over de rol van de rechter in het strafproces. In de Trema van september zullen de reacties op het artikel  en het naschrift van de auteur worden gepubliceerd. Hoewel het betoog van De Weerd een uitvoerige beschouwing verdient over de rol van de rechter in het strafproces, zullen wij hierover slechts enkele gedachtegangen delen.

De Weerd vraagt in zijn betoog onder meer aandacht voor de gevallen waarin de tenlastelegging een fout bevat. De Weerd meent dat er dan niets op tegen is als de rechter de officier van justitie wijst op dergelijke fouten. Als voorbeeld noemt hij de situatie dat in de tenlastelegging Utrecht als plaats delict is vermeld, terwijl uit het dossier overduidelijk blijkt dat het plaats delict Amsterdam moet zijn. In beginsel past een rechter die de officier van justitie wijst op een fout in de tenlastelegging geenszins binnen ons strafproces.

Nederland kent een strenge grondslagleer, die inhoudt dat de strafrechter na het onderzoek ter terechtzitting beraadslaagt en (eind)beslissingen neemt  slechts op basis van de ‘grondslag van de tenlastelegging’. Dit zodat de verdachte weet waarvan hij verdacht wordt en niet wordt geconfronteerd met een (creatieve) interpretatie van de tenlastelegging. De ratio achter deze grondslagleer is daarnaast het bevorderen van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter. De rechter treedt daardoor niet in het vervolgingsbeleid van het Openbaar Ministerie, die daartoe politieke verantwoordelijkheid draagt. Dat is niet de rol van de rechter. In zoverre bestaat een scheiding van machten en een duidelijke rolverdeling. Een actieve rechter die het Openbaar Ministerie ‘helpt’ bij de vervolging, past niet binnen ons rechtsbestel en tast het fundamentele recht op een eerlijk proces van de verdachte aan.

Nu spreekt De Weerd slechts over overduidelijke gevallen, maar waar ligt de grens? Ten aanzien van  de schijn van partijdigheid bevindt  de rechter zich dan al snel op een ‘slippery slope’. Toch is een situatie denkbaar waarin beide procespartijen belang hebben bij een actieve rechter en derhalve de onpartijdigheid van de rechter niet in gevaar komt. Door de uitbreiding van art. 415 Sv naar o.a. art. 313 Sv is een wijziging van de tenlastelegging eveneens mogelijk geworden in hoger beroep en na een verwijzing of terugwijzing door de Hoge Raad.

Zou de verdachte in eerste aanleg wegens de fout in de tenlastelegging en een onoplettende officier van justitie zijn vrijgesproken dan kan de officier van justitie eerst in hoger beroep de tenlastelegging wijzigen en verliest de verdachte in wezen een feitelijke instantie. Dat doet dan juíst afbreuk aan zijn procespositie. Dit alles geldt vanzelfsprekend alleen in die gevallen dat een wijziging van de tenlastelegging binnen de grenzen van artikel 313 Sv valt en de uitleg die de Hoge Raad daaraan heeft gegeven. Een transparante opstelling van de rechter heeft in eerste aanleg derhalve als voordeel dat duidelijk wordt wat de verweten gedraging is. De officier van justitie kan door een open waarheidszoekende rechter mogelijke fouten in de tenlastelegging ontdekken en wijzigen. Deze situatie verandert in hoger beroep. Indien in appel het Openbaar Ministerie de helpende hand wordt aangereikt, wordt de positie van de verdachte er alleen maar slechter op. In die situatie is de appelrechter niet alleen meer op zoek naar de waarheid, maar is hij aan het proberen om de verdachte te veroordelen en kan derhalve niet meer gezien worden als onpartijdig. Het actief ‘helpen’ van het Openbaar Ministerie tast dan het fundamentele recht op een eerlijk proces van de verdachte aan.

Het artikel levert bovendien een wrange nasmaak op, want ondanks dat de inleiding van het artikel doet vermoeden dat de auteur meent dat de rechter indien nodig een helpende hand aan beide procespartijen moet kunnen bieden, gaat het artikel slechts in op de helpende hand aan de officier van justitie conform de ondertitel: “Als de officier van justitie een lekke band heeft, mag de rechter die best plakken”. Maar plakt de rechter dan ook de band van de verdediging als die lek is?

Hoewel het de taak van de rechter is om aan waarheidsvinding te doen, is het ook aan de rechter om als procesbewaker op te treden. Het recht op een eerlijk proces en het waarborgen van het beginsel van equality of arms dienen voorop te staan in het strafproces. Het artikel van De Weerd getuigt hier allerminst van. De rechter mag ons inziens alleen een helpende hand bieden als dit in het voordeel van beide procespartijen is. Echter, als het op de wijze die De Weerd voorstelt gaat dan regelt de rechter alleen dat de officier van justitie met volle banden, zijwieltjes en een duwtje in de rug richting de finish spurt terwijl de verdediging, op z’n velgen, het nakijken heeft. Zou de officier dan de dopingcontrole doorstaan?

De discussie over de rol van de rechter in het strafproces is belangrijk en de meningen lopen uiteen in juridisch Nederland. Wij roepen je daarom op om je visie en mening over de rol van de rechter met ons te delen. Wat is jouw ervaring met ‘actieve’ rechters? En hoe ver mag die ‘actieve’ rechter volgens jou gaan? En is het je wel eens overkomen dat een rechter een voor jullie cliënt gunstige beslissing heeft genomen, op grond van argumenten die je tevoren niet zelf had bedacht?

[1] Trema, mei 2013, p. 156 – 160.

Geen reacties

Plaats een reactie