#150: Over doorgewinterde criminelen en misdaadavonturen

‘143,5 miljoen euro afgepakt in strafrechtketen.’ Zo kopte het bericht van het Openbaar Ministerie waarin het resultaat van het programma Afpakken over het afgelopen jaar werd geëtaleerd. Het betreft het gezamenlijk resultaat van de samenwerking tussen een groot aantal overheidsdiensten zoals de politie, FIOD, Douane, de dienst Domeinen en het Centraal Justitieel Incasso Bureau. Het Openbaar Ministerie schrijft dat een groot deel van alle criminaliteit wordt gepleegd met het oog op snel financieel gewin. In nagenoeg alle gevallen is geld de drijfveer van ‘criminelen’. Om die reden wil het Openbaar Ministerie hen raken waar het meest pijn doet: in hun portemonnee. Klare taal van het Openbaar Ministerie. Maar hoe zit het met de rechtsbescherming van verdachten?Lees verder

#120: Het strafrecht als optimum remedium

De richtlijnen voor de Aanmelding en Afhandeling Fiscale Delicten (‘AAFD-richtlijnen’) zijn in het leven geroepen om te beschrijven hoe een belastingambtenaar mogelijke delicten op de gebieden van belastingen, toeslagen en douane dient aan te melden bij justitie. Ook beschrijven de richtlijnen hoe zaken door de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie worden ‘uitverkozen’ voor strafrechtelijke afdoening. Op 25 juni 2015 is het besluit gepubliceerd met het nieuwe protocol AAFD dat vandaag, 1 juli 2015, in werking treedt. Blijkens het protocol is de groeiende behoefte aan snelle, (strafrechtelijk) interventies – een vorm van proactief, strafrechtelijk optreden ter voorkoming van (verdere) maatschappelijke schade – één van de drijfveren hierachter. Het strafrecht zal niet langer worden gezien als het ‘geïsoleerd repressief sluitstuk van de handhavingsketen’. In plaats van een ultimum remedium wordt het strafrecht ingezet als optimum remedium. Een instrument dat in verbinding staat met de andere vormen van handhaving en toezicht. Maar hoe zat het ook alweer met de richtlijnen die tot 1 juli 2015 golden? En wat zijn de meest in het oog springende wijzigingen?Lees verder

#105: De FIOD, wat nu?

De meeste bedrijven zullen nooit te maken krijgen met een FIOD-inval. Komt de FIOD echter wel op bezoek, dan hebben sommige bedrijven nog wel ergens een stoffig protocol met ‘Een FIOD-inval, wat nu?’ liggen, maar op het moment suprême weet niemand wat te doen. De FIOD maakt hier handig gebruik van door gedurende zo’n inval (of nadien) uitgebreid vragen te stellen aan werknemers over de verdachte rechtspersoon. Wij menen echter dat aan werknemers van een verdachte rechtspersoon een zwijgrecht toekomt. Of dat de werknemer tenminste op zijn rechten moet worden gewezen als getuige.Lees verder

#069: Een stukje ongezouten frustratie

Stel, je schrikt op een ochtend wakker door een hels kabaal dat de slaapkamer nadert. Gedesoriënteerd zoek je je telefoon op het nachtkastje, 6:53 uur. Nog 7 minuten voor de wekker gaat. Het volgende moment schijnt een aantal zaklichten in je ogen. Volstrekt onbekende mannenstemmen manen je uit bed te komen. Je doet wat je gevraagd wordt. Je partner wordt naar beneden begeleid en je hoort je kinderen in een andere kamer. Zodra het licht aan gaat vang je een glimp op van de jas van de telefonerende man die de kamer uit loopt, de FIOD. Dat wat jou nooit zou overkomen gebeurt. Dit kan niet waar zijn. Zullen de buren het gehoord hebben?

Voor velen is dit een onvoorstelbaar scenario. En gelukkig maar. De meesten van ons zullen dit ook nooit meemaken. Maar een enkeling wordt wel geconfronteerd met een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD.

Een dergelijke inval is veelal voorafgegaan door maanden van onderzoek. Een actie die in het geheim is gepland. Het onderzoek kan zijn aangewakkerd door een melding van de inspecteur van de belastingdienst of mogelijk een (rancuneuze) ex-werknemer. Wat er ook aan de hand is, de casus is in het tripartiete overleg geschikt bevonden om strafrechtelijk nader te onderzoeken. In de praktijk blijken verdenkingen van het opzettelijk doen van onjuiste aangiften en witwassen gemakkelijk te worden opgetuigd en met een machtiging van de rechter-commissaris kan de officier van justitie beslag leggen op de zakelijke en privé bankrekeningen. In het slechtste geval krijgt de pers er lucht van en zal de inval niet onopgemerkt blijven. Alles waar de betrokkene jaren voor heeft gewerkt staat op het spel.

Een FIOD onderzoek heeft een bijzonder grote impact op de betrokkene(n). De overheid beschikt over een groot arsenaal aan strafvorderlijke dwangmiddelen die de verdachte – al voordat sprake is van enige veroordeling – hard kunnen raken. Een strafrechtelijk onderzoek kan niet alleen financiële schade aanrichten bij de betrokkene. Indien het onderzoek in de publiciteit komt is dat ook schadelijk voor de reputatie van de betrokkene. Als verdachte sta je al voor de start van ‘de wedstrijd’ 1-0 achter.

Van een overheid die dusdanig optreedt tegen haar burgers zou verwacht worden dat het strafrechtelijk onderzoek én de eventuele daaruit voortvloeiende strafrechtelijke procedure zorgvuldig wordt afgewikkeld. Toch blijkt de afgelopen jaren in de praktijk steeds vaker dat het openbaar ministerie met name in hoger beroep weinig tijd besteedt aan de voorbereiding van het onderzoek ter zitting. Alsof dat er nog even bij moet worden gedaan. Niet altijd blijkt de vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie geheel op de hoogte van de inhoud van het dossier. De verontschuldiging dat men nog maar een paar uur voorbereidingstijd heeft voor zo’n ‘zaakje’ is dan een veelgehoorde. En hoewel dat onder omstandigheden ten gunste van de betrokkene kan komen, hoeft dat niet altijd het geval te zijn. Het proces is juist gebaat bij partijen die de echte pijnpunten uit het (vaak omvangrijke) dossier weten te halen, zodat de verdachte de gelegenheid krijgt zich daartegen te verweren. Het gebrek aan voorbereidingstijd wekt met name frustratie op. Een zaak die een enorme impact heeft gehad op de betrokkene wordt door degene die hem het onderzoek ‘heeft aangedaan’ als onbelangrijk weggezet.

Een ongelooflijke ontwikkeling in onze rechtsstaat die slechts een verlies aan vertrouwen daarin kan opleveren. ‘Als het allemaal niet zo belangrijk is, waarom word ik dan überhaupt vervolgd?’ is de eerste geheel begrijpelijke gedachte die opkomt bij de betrokkene. En inderdaad, waarom is die zaak zo belangrijk als er blijkbaar geen tijd voor is om zorgvuldig te procederen?

Hoewel de frustratie van de betrokkene zich veelal richt op de persoon die de vervolging aanhangig heeft gemaakt, wordt hen een zorgvuldige uitvoering van hun werk in sommige gevallen onmogelijk gemaakt. Het verwijt is ons inziens dan ook met name te maken aan de organisatie van justitie. Blijkbaar is onvoldoende tijd beschikbaar om de zitting voor te bereiden. En waarom? Omdat het leed door de verdachte al is geleden? Omdat de generaal preventieve werking van de vervolging kan worden afgevinkt nu de pers het werk al heeft gedaan? Het is ons inziens juist aan de overheid de haar toekomende bevoegdheden zorgvuldig uit te oefenen. Dat zal het vertrouwen in de rechtspraak en de rechtsstaat ten goede komen in plaats van het af te breken.

Wat is jouw ervaring met dergelijke situaties?

#013: Het doel heiligt niet altijd de middelen

Dat een inval van de FIOD de nodige impact heeft op betrokkenen is geen geheim. Busjes komen massaal voorrijden, de hele buurt is op de hoogte, de kinderen worden wakker gemaakt, met zaklampen wordt door – soms gewapende – onbekenden in hun ogen geschenen. Vader, moeder en kinderen worden in aparte kamers gezet en als de FIOD ambtenaar een slechte dag heeft, is zelfs een glaasje water of een bezoekje aan het toilet teveel gevraagd. Dergelijke invallen gaan gepaard met het nodige machtsvertoon en laten hun sporen na  bij de betrokkenen. 

Onlangs publiceerde het Duitse Der Spiegel een treffend artikel met de titel Razzia, Wie es sich anfühlt, wenn Steuerfahnder das Haus durchsuchen’In het artikel illustreert de auteur dat een inval, ook als die met een sisser af blijkt te lopen, haar sporen blijvend achterlaat bij de betrokkene(n). In dit geval heeft de betrokkene de Belastingambtenaren binnengelaten in zijn woning. Hij vraagt zich hardop af wat zou zijn gebeurd als hij niet thuis was. De ambtenaren delen de betrokkene daarop mee dat zij zichzelf dan toegang zouden hebben verschaft tot de woning. De betrokkene bedenkt zich dat het nog altijd zijn eigen woning is waar híj het voor het zeggen heeft. Maar ineens weet de betrokkene ook dat niet meer zeker.

Het artikel wekt een beeld op van een persoon die zich over het algemeen niet zo maar van de wijs laat brengen. Maar de kilheid waarmee de betrokkene wordt benaderd en de onverschilligheid van de ambtenaren ten aanzien van de inbreuk op de rechten van de betrokkene, geven deze persoon het unheimische gevoel dat hij geen zeggenschap meer heeft over zijn eigen leven. Ook de op het eerste gezicht milde benadering door de ambtenaren, zonder wapens en bombarie, blijkt een onuitwisbare indruk op de betrokkene te maken.  

In Nederland oordeelde de Nationale Ombudsman al eens over een klacht van een verdachte belastingplichtige over een inval in zijn woning. In deze zaak deed de FIOD een inval bij iemand die al jarenlang het slachtoffer bleek van identiteitsfraude. Hij had ten onrechte diverse gewelddadige antecedenten op zijn naam staan. Daardoor was ook de zogeheten ‘gevarenclassificatiecode 02’ gekoppeld aan zijn personalia. Van deze identificatiefraude heeft de verdachte  – alsook zijn echtgenote – veel last gehad. Met name toen een melding ongebruikelijke transactie leidde tot een doorzoeking van de FIOD van de woning van de belastingplichtige, waarbij wapendragers werden ingezet. Dit terwijl de gevarenclassificatiecode ten onrechte aan de betrokkene was toegekend.

Tijdens de huiszoeking was een ruim aantal gewapende agenten aanwezig en kwam een aantal van hen met getrokken pistool de woning binnen. Niet alleen stond de inval op het netvlies van de belastingplichtige gebrand, ook de buurtbewoners hebben de inval kunnen aanschouwen. Na deze inval was de belastingplichtige dusdanig in diskrediet geraakt in de buurt, dat hij zich genoodzaakt zag te verhuizen. Ook werd hij in de zakenwereld niet langer als een betrouwbare zakenpartner gezien, waardoor het voor hem bijna onmogelijk werd om zijn bedrijf uit te oefenen.

De minister van financiën heeft destijds aangegeven dat de FIOD de veiligheidsrisico’s heeft ingeschat en dat niet bekend was dat bepaalde antecedenten ten onrechte op naam van de belastingplichtige stonden. De Nationale Ombudsman meent echter dat het evenredigheidsvereiste inhoudt dat het doel de middelen niet altijd heiligt. Voor het bereiken van een doel dient een middel te worden aangewend dat voor de betrokkenen niet onnodig bezwarend is en dat bovendien in verhouding staat tot het doel. Dat houdt in dat de FIOD geen onnodig machtsvertoon toepast bij de doorzoeking van een woning. In dit geval was de inzet van wapendragers bij de doorzoeking in strijd met het evenredigheidsvereisten en de onderzochte gedraging was niet behoorlijk. De Nationale Ombudsman maakt aldus duidelijk dat de ingezette middelen niet onnodig bezwarend mogen zijn voor de betrokkenen.

De FIOD zet echter wel vaker middelen in, die als ernstig bezwarend worden ervaren. Hof Arnhem Leeuwarden oordeelde eerder dit jaar nog over een zaak waarin de FIOD een inval heeft gedaan in de woning van een buurman van de verdachte, zonder daartoe gemachtigd te zijn. Het Hof oordeelde dat het huisrecht van de buurman was geschonden. De persoon in kwestie heeft hierdoor materiële en immateriële schade opgelopen. Daarnaast heeft de buurman een posttraumatisch stresssyndroom ontwikkeld door de inval. In de uitspraak is vermeld ‘zoals de Staat zelf naar voren heeft gebracht, moest X. (omdat niet kon worden vastgesteld of het hier om de persoon ging waar de FIOD naar op zoek was) op zijn knieën gaan zitten, met zijn handen plat op het hoofd. Y. werd gesommeerd om haar handen te laten zien en plaats te nemen op een stoel aan de keukentafel. Appellanten hebben in dit verband verder nog onweersproken aangevoerd dat het hun werd verboden de kinderen die op het moment van de inval in een nabijgelegen kamer lagen te slapen, gerust te stellen’. Het Hof heeft in deze zaak geoordeeld dat door de inval een ernstig  inbreuk is gemaakt op de integriteit van de persoon van de bewoners en de veiligheid van hun woning, aldus bestaat recht op schadevergoeding. Het Hof kent een immateriële schadevergoeding toe van € 4500,- en een materiële schadevergoeding van € 4500,-. Het is geen vetpot, maar biedt wel enige erkenning voor de geleden schade.

Opsporingsdiensten lijken zich niet altijd te realiseren wat de impact is van hun handelen. Of het nou de buurman is of de verdachte zelf, nooit mag uit het oog worden verloren dat het minst bezwarende middel dient te worden ingezet. Uiteraard dient met het nodige gezag opgetreden te worden, maar nooit met misplaatst machtsvertoon. Dit is iets waar de overheid ons inziens ferm tegen op moet treden. Een schadevergoeding dekt misschien enkele kosten, maar zal de onnodig beschadigende ervaring nooit wegnemen.

Wat is jullie ervaring met invallen van de opsporingsdiensten? Is steeds een zo min mogelijk bezwarend middel voor de betrokkene ingezet of is het wel eens – al dan niet bewust – buitensporig geweest? Wat voor een invloed heeft dit gehad op een cliënt? En worden daaraan dan consequenties verbonden door de rechter in de vorm van een schadevergoeding of strafvermindering? Bestaat er aanleiding om onevenredig machtsvertoon op hoger niveau aan de kaak te stellen?