#107: Zoek de verschillen

In de vakliteratuur werden wij gewezen op een beschikking van 5 december 2014, over wils(on)afhankelijk materiaal, van het gerechtshof Den Haag ; het verwijzingshof na het arrest van de Hoge Raad van 21 december 2010 . In die zaak was sprake van een tweetal documenten, waaronder een verslag van het door de klaagster intern verrichte onderzoek. Gelet daarop oordeelde het Hof dat sprake is van documenten die als afhankelijk van de wil van de klaagster moeten worden aangemerkt. De vordering tot uitlevering is volgens het Hof daarmee in dit geval in strijd met het bepaalde in artikel 6 EVRM, oftewel het nemo tenetur-beginsel. Maar hoe verhoudt het arrest van 21 december 2010 zich tot het arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2013 waarin is geoordeeld dat voor een beroep op het nemo tenetur-beginsel geen plaats is in een klaagschriftprocedure ex artikel 552a Sv? Is de Hoge Raad teruggekomen op zijn arrest van 21 december 2010 zonder dit expliciet te melden? Of zijn er toch verschillen tussen beide arresten?

In de beschikking die ten grondslag lag aan het arrest van 21 december 2010 had de rechtbank geoordeeld dat klaagster niet aan de vordering in de zin van de artikelen 18 en 19 WED had hoeven te voldoen omdat het bestaan van de bewuste documenten afhankelijk waren van de wil van klaagster. Zij had die documenten namelijk opgesteld. De Hoge Raad oordeelde echter dat, voor de vraag of het nemo tenetur-beginsel is geschonden, moet worden beoordeeld of het aanmerken van een verklaring van de verdachte – al dan niet in een document vervat – als bewijsmiddel strijdig is met zijn recht om te zwijgen. Om die reden had de rechtbank, volgens de Hoge Raad, eerst kennis moeten nemen van de inhoud van de documenten alvorens deze zich daarover een oordeel had kunnen vormen.

In de zaak die aan de orde was in het arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2013 vorderde het Openbaar Ministerie bij de IGZ de uitlevering ter inbeslagneming van het dossier dat aan een tuchtklacht ten grondslag lag. De IGZ heeft het gevorderde dossier aan het OM verstrekt met beperking van de bijbehorende medische dossiers tot de dossiers van de 32 patiënten die daarvoor toestemming hadden gegeven. De verdediging heeft aangevoerd dat sprake is van schending van het nemo tenetur-beginsel. Ingevolge artikel 5:20 AWB was klager immers gehouden medewerking te verlenen aan het onderzoek van de IGZ inzake de tuchtklacht. Van enige vrijwilligheid was geen sprake. Nu deze verplichting bestaat, mag het dossier over klager – dat een rechtstreeks resultaat is van het onderzoek van de IGZ – niet worden gebruikt in de strafprocedure, volgens de verdediging. De Hoge Raad oordeelt als volgt:

“5.2. Vooropgesteld moet worden dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in art. 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de rechter niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofdzaak of ontnemingsprocedure te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats omdat ten tijde van een dergelijke procedure veelal het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, nog niet compleet is en omdat voorkomen moet worden dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of de ontnemingszaak te geven oordeel (vgl. HR 28 september 2010, LJN BL2823, NJ 2010/654).

5.3. Hieruit volgt dat het onderzoek in raadkamer zich wel kan uitstrekken tot vragen met betrekking tot de rechtmatigheid van het beslag zelf, waarmee wordt gedoeld op de formaliteiten waaraan een inbeslagneming moet voldoen, doch niet tot vragen die betrekking hebben op de mogelijke onrechtmatigheid van gebruik voor het bewijs van hetgeen door de inbeslagneming is verkregen.

5.4. De vragen met betrekking tot het nemo tenetur-beginsel houden verband met de vraag of de verdachte gehouden was de verzochte gegevens aan de IGZ te verstrekken en daarmee met de vraag of die gegevens tot bewijs kunnen strekken. Met de al dan niet rechtmatigheid van de inbeslagneming zelve, als onder 5.3 hiervoor bedoeld, hebben die vragen niet van doen.”

Het verschil is dus ons inziens gelegen in het feit dat in het arrest van 2013 wordt geklaagd over de voeging van wilsafhankelijk materiaal in het dossier, terwijl dit niet wordt gevorderd van de verdachte zelf. De vordering an sich is dus rechtmatig, terwijl in het arrest van 2010 de rechtmatigheid van de vordering wordt beoordeeld in het licht van het nemo tenetur-beginsel.

Kortom, het nemo tenetur beginsel kan wel degelijk een rol spelen in klaagschriftprocedures ex artikel 552a Sv voor zover de vordering daarmee onrechtmatig is.

Wat is jouw ervaring? Wordt op grond van bijvoorbeeld artikel 18 WED of 81 AWR vaker ‘wilsafhankelijk materiaal’ van de verdachte gevorderd? En heeft een klacht in de zin van artikel 552a Sv in dat geval kans van slagen?

Geen reacties

Plaats een reactie