#102: Kwantiteit versus kwaliteit

Ons huidige Wetboek van Strafvordering stamt uit 1926. Dat delen van het wetboek toe zijn aan vernieuwing, is dan ook niet vreemd. Inmiddels zijn de voorbereidingen voor de modernisering van het wetboek in volle gang en verschijnen regelmatig berichten over deze wetgevingsoperatie in de vakliteratuur. Maar wat gaat er nu echt veranderen?

Minister Opstelten heeft begin februari  de Contourennota modernisering Wetboek van Strafvordering voor advies naar onder meer de Raad voor de Rechtspraak, het Openbaar Ministerie, de Nationale Politie, de Nederlandse Orde van Advocaten en Reclassering Nederland gezonden. Deze Contourennota geeft een overzicht van de belangrijkste wijzigingsvoorstellen. Naar aanleiding van deze contourennota worden wetsvoorstellen voorbereid die vanaf november van dit jaar zullen worden ingediend bij de Tweede Kamer. Voorop staat dat de uitgangspunten en beginselen van de Nederlandse strafvordering niet worden gewijzigd. De digitalisering van de rechtspraak die in andere rechtsgebieden vorm begint te krijgen, zal ook een grote rol spelen in de modernisering van het Wetboek van Strafvordering.

Een in het oog springende wijziging is de verlegging van de focus in het strafproces naar het voorbereidend onderzoek. Dit is onder meer ingegeven door de doelstelling om doorlooptijden van de procedures te verkorten. Een gedegen voorbereidend onderzoek dat is afgerond voorafgaand aan de inhoudelijke behandeling ter zitting, zal – in beginsel – minder onnodige aanhoudingen tot gevolg hebben. Het is echter de vraag of de voorgestane wijzigingen het gewenste effect zullen behalen en of de beoogde efficiency de kwantiteit ten koste van de kwaliteit laat gaan.

Uit de brief bij de Contourennota blijkt dat de verdediging een grotere rol zal krijgen in het voorbereidend onderzoek, de mogelijkheden om in een vroegtijdig stadium in te spelen op verzoeken van de verdediging zullen worden vergroot. Dat klinkt advocatuurlijk Nederland natuurlijk als muziek in de oren. Het zal wel een (verdere) werkdruk op de rechter-commissaris met zich meebrengen, nu de regie over de inventarisatie van de onderzoekswensen en de beoordeling daarvan bij hem ligt. In de huidige praktijk wordt beperkt gebruik gemaakt van de mogelijkheid een regiebijeenkomst te houden bij de rechter-commissaris; dat is ook gesignaleerd in de brief bij de Contourennota. Overigens blijft in die brief in het midden bij welke procespartij op dit punt de ‘kink in de kabel’ zit. In de praktijk blijkt dat rechters-commissaris niet bijzonder happig zijn op het plannen van een dergelijke bijeenkomst. Daar zal dan ook de nodige tijd en aandacht aan moeten worden besteed om de doelstellingen van de modernisering van de wet te effectueren. Overigens is het dan ook van belang afdoende rechtsmiddelen in de wet op te nemen voor alle partijen om daadwerkelijk een ‘vinger in de pap’ te hebben bij het voorbereidend onderzoek. Bij gebrek daaraan zullen de (onbegrijpelijk gemotiveerde of ongemotiveerde) afgewezen wensen alsnog tijdens het onderzoek ter zitting worden aangekaart. Het is de vraag of dat de doorlooptijd van de procedures ten goede komt. In de Contourennota is voorgesteld het Openbaar Ministerie niet langer als voorportaal voor bijvoorbeeld verzoeken om getuigen te horen te laten fungeren, maar een wettelijke mogelijkheid te creëren voor de verdediging en het Openbaar Ministerie zich voorafgaand aan de zitting rechtsreeks tot de zittingsrechter te kunnen wenden met verzoeken voor getuigenverhoren. Dit zou een goede stap in de richting kunnen opleveren.

Een ander aspect dat van belang is voor de verdediging om überhaupt een grotere rol in het voorbereidend onderzoek te kunnen spelen is het bevorderen van de toegang tot het procesdossier. Immers, zonder kennis te kunnen nemen van de (tussentijdse) resultaten van het opsporingsonderzoek en de gehanteerde werkwijze zal de verdediging niet in staat zijn onderzoekswensen tijdig te kunnen formuleren. De digitalisering van de processtukken zal een stap in de goede richting kunnen zijn. Ons inziens zal de verdediging echter eerder toegang tot de processtukken dienen te moeten krijgen. De rechter-commissaris die de regie heeft over het voorbereidend onderzoek zal in dit onderdeel van het proces een actieve(re) rol dienen te spelen, om de voortgang in de procedures te bewaken. Bij gebrek daaraan zal de modernisering van het wetboek op dit punt niet meer dan een mooie theorie blijven en enkel een excuus om het onmiddellijkheidsbeginsel nog verder aan te tasten.

De Contourennota is niet bijzonder helder hierover. Het is dus de vraag op welke wijze invulling zal worden gegeven aan deze kwesties in de wetsvoorstellen. Vooralsnog houden wij de reacties van de verschillende instanties op de Contourennota en de meningen in de vakliteratuur in ieder geval nauwlettend in de gaten.

Wat zijn jouw ervaringen ten aanzien van de rol van de verdediging in het voorbereidend onderzoek in het huidige systeem? En wat vind jij van de voorgestelde wijzigingen?

Geen reacties

Plaats een reactie