#139: Pragmatisme versus de wet

Het is in de praktijk inmiddels bijna standaard dat de rechter-commissaris aan de verdediging en de officier van justitie, voorafgaand aan een getuigenverhoor, verzoekt een lijst met vragen aan de getuige toe te sturen. De redenen hiervoor zijn met name praktisch van aard. Zo weet de rechter-commissaris immers welke vragen aan de orde zullen komen. Veelal wordt verzocht om een Word-bestand waarin de vragen staan genoteerd zodat de griffier alvast de vragen kan copy-pasten in het proces-verbaal. Ook kan de rechter-commissaris op die manier een tijdsplanning maken en bekijken of de vragen relevant zijn. Deze praktijk wordt ook bevestigd door een arrest van de Hoge Raad van 1 september 2015. Maar (dit) pragmatisme staat gelukkig niet boven de wet.Lees verder

#138: Vergeten is menselijk

Een verdachten- en getuigenverhoor zijn misschien wel de meest tot de verbeelding sprekende onderdelen van het strafproces. In menig film en TV serie wordt de spanning opgevoerd met scènes waarin een verdachte of een getuige stevig aan de tand wordt gevoeld door de rechercheur die het mysterie moet oplossen of door de schurk die staatsgeheime informatie probeert los te peuteren. En als het niet goedschiks kan, dan maar kwaadschiks. De verhoortechnieken van Jack Bauer (24), John Luther (Luther) en Le Chiffre (Casino Royale) trekken volle zalen, maar zijn niet representatief voor onze dagelijkse praktijk. De verhoren in ons strafproces gaan er een stuk ‘geciviliseerder’ aan toe. Toch is de betrouwbaarheid van een verklaring ook in ons rechtssysteem geen gegeven. Dat zal in ieder geval steeds weer moeten worden afgewogen.Lees verder

#132: ‘Het een en ander is niet goed gegaan’

Over de Landlord zaak is het laatste nog niet gezegd of geschreven. Rechtbank Limburg heeft het Openbaar Ministerie op 11 oktober 2013 niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van de verdachten in deze vastgoedfraudezaak. De Rechtbank heeft grove en doelbewuste schendingen van het recht op een eerlijk proces van de verdachten geconstateerd. De Rechtbank overwoog destijds: ‘Simpel gezegd, hebben naar het oordeel van de rechtbank té veel en té ernstige onrechtmatigheden plaatsgevonden om te kunnen zeggen dat de verdachte een eerlijk proces heeft kunnen hebben. De manier waarop het openbaar ministerie zich in deze strafzaak heeft opgesteld, is niet de manier waarop een strafproces in Nederland dient te worden gevoerd. Tegen deze achtergrond moet het belang van de verdachte, maar ook van de samenleving, op een eerlijk proces prevaleren boven het belang op strafvervolging.’ Het Openbaar Ministerie is tegen dit vonnis in hoger beroep gegaan en meent dat de Rechtbank één en ander te zwart wit ziet. Het arrest van het Hof wordt binnenkort verwacht. Hier alvast een opfrisser van de zaak in het licht van het aanstaande arrest.Lees verder

#122: Het ondervragingsrecht toegepast

Er is nog altijd veel te doen over het gebruik van getuigenbewijs. Belastende verklaringen van getuigen mogen niet zomaar gebruikt worden. Daarvoor gelden strenge regels die voortvloeien uit het in artikel 6 EVRM vervatte ondervragingsrecht van de verdediging. Tegen onjuist gebruik van dergelijk bewijsmateriaal moet de verdediging overigens proactief optreden om de rechten van de verdediging veilig te stellen. Het gebruik van getuigenbewijs luistert nauw en het is aan de verdediging alert te zijn op de wijze waarop dergelijk materiaal als bewijs wordt gebruikt door de rechter. Dat verweren op dat punt overigens niet voor dovemans oren bestemt zijn, blijkt onder meer uit een arrest van de Hoge Raad van 23 juni 2015.Lees verder

#111: Aan wie geeft de Hoge Raad een hint?

Indien de verdediging tijdens een zitting getuigen opgeeft en de rechtbank acht het in het belang van de verdediging en/of noodzakelijk om deze getuigen te horen, dan zal de rechtbank de zaak in zijn algemeenheid verwijzen naar de rechter-commissaris. Dit gaat veelal gepaard met de toverspreuk: “en voorts al datgene te doen wat de rechter-commissaris wenselijk of noodzakelijk acht.” Als een getuigenverhoor vervolgens aanleiding geeft om een andere getuige te horen, dan kan de rechter-commissaris hier op praktische wijze zelf in voorzien. Hoewel de wetgever het strafprocesrecht met name efficiënter wenst te maken, lijkt de Hoge Raad een stokje te steken voor deze praktische werkwijze.Lees verder

#102: Kwantiteit versus kwaliteit

Ons huidige Wetboek van Strafvordering stamt uit 1926. Dat delen van het wetboek toe zijn aan vernieuwing, is dan ook niet vreemd. Inmiddels zijn de voorbereidingen voor de modernisering van het wetboek in volle gang en verschijnen regelmatig berichten over deze wetgevingsoperatie in de vakliteratuur. Maar wat gaat er nu echt veranderen?Lees verder

#097: Pulp Fiction?

Op de wijze van verbaliseren van verdachten- en getuigenverhoren is het nodige aan te merken. Dit is op zichzelf niets nieuws. Niettemin bevestigen de bevindingen van het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR) en de Universiteit Leiden dat processen-verbaal van de politie bijzonder beperkt worden weergegeven en laten zien hoe ernstig het is gesteld met de processen-verbaal. Voor dit onderzoek zijn 55 verdachtenverhoren bij de politie geanalyseerd. Deze verhoren zijn ook audiovisueel vastgelegd om te verifiëren welke informatie wel en welke informatie niet in het proces-verbaal terecht is gekomen. Geconcludeerd is dat de hoofdvragen van een verhoor meestal wél worden weergegeven, meer specifiek 63%(!) ervan. Van de vervolgvragen en de antwoorden die zijn gegeven wordt slechts een kwart opgenomen in het proces-verbaal. Kan het huidige proces-verbaal van een verhoor nog wel bijdragen aan de waarheidsvinding in strafzaken? Zijn de processen-verbaal überhaupt als een weergave van de waarheid aan te merken of is het niet meer dan fictie?Lees verder

#091: Het feilbare geheugen

Het Strafblad besteedt in de editie van november 2014 uitgebreid aandacht aan het Internationale strafrecht bezien vanuit Nederlands perspectief. Echter is dit nummer van het Strafblad niet alleen interessant voor diegene die in het International strafrecht werkzaam zijn, maar eigenlijk voor elke jurist. In een artikel wordt de betrouwbaarheid van getuigen aan de kaak gesteld[1] en in een ander artikel de drie T’s die tot meer valide getuigenverklaringen zouden leiden[2]. In het (financieel) strafrecht wordt veelvuldig gebruik gemaakt van getuigen. Het is dus goed om te weten waar de zwaktes liggen van het menselijk geheugen en daarop in te spelen tijdens getuigenverhoren. Enkele aspecten uit deze twee artikelen zullen wij hier behandelen.

Een van de belangrijkste invloeden die effect heeft op het geheugen is tijd. Een inkoppertje misschien maar in het artikel over de drie T’s wordt verwezen naar een studie die wellicht kracht kan bijzetten aan een pleidooi dat een getuige door tijdsverloop geen betrouwbare verklaring heeft afgegeven. Immers blijkt uit deze studie dat mensen vaak hun eigen ervaringen van zes maanden geleden niet (eens) meer herinneren als zij deze teruglezen, maar ook vice versa.[3] In WIM zaken wordt het tijdsverloop ook als een belangrijke factor meegewogen ten aanzien van de betrouwbaarheid van een getuigenverklaring.[4]

Andere belangrijke factoren die van invloed zijn op het menselijk geheugen en dus getuigenverklaringen zijn interne processen en externe factoren. Het menselijk brein kan namelijk door over een gebeurtenis te praten of te lezen soms niet meer onderscheiden wat zelf is ervaren en wat hij/zij uit externe bronnen heeft vernomen. Hier zijn ook verschillende onderzoeken naar gedaan. Twee voorbeelden worden genoemd in het Strafblad.[5] Ook deze contaminerende factor die van invloed is op een verklaring wordt erkend in WIM zaken. In het strafblad wordt verwezen naar het volgende citaat[6]:

“De grenzen aan het menselijk waarnemingsvermogen en geheugen zijn evident. Door zowel interne processen als externe factoren wordt het geheugenspoor van de originele ervaring veranderd of aangevuld. Er kan sprake zijn van selectieve waarneming; integreren van later verkregen informatie; accepteren van gesuggereerde gebeurtenissen.”

Tot slot willen wij nog wijzen op omstandigheden waaronder een verhoor kan plaatsvinden en die van invloed kunnen zijn op de verklaring. Er is bijvoorbeeld onderzoek gedaan naar het effect van langdurige verhoren. Tegen het einde van een lang verhoor wordt de informatie steeds minder valide, ook wel het output order effect genoemd.[7] Het komt niet zelden voor dat de FIOD op een indringende en uitputtende manier vragen aan getuigen stelt. De vraag is dus wat de waarde is van een dergelijk verhoor. Het is derhalve voor de verdediging van belang om of aanwezig te zijn bij een getuigenverhoor of nadien te verifiëren op welke wijze een verhoor heeft plaatsgevonden.

Hoe ga jij om met de feilbaarheid van het menselijk geheugen tijdens een getuigenverhoor? Merk jij dat de rechter in sommige situaties hier rekening mee houdt of worden naar jouw mening te vaak stukjes uit een getuigenverklaring geknipt om tot een bewezenverklaring te komen zonder dat bewijswaarde van een dergelijke verklaring in acht wordt genomen?

[1] Prof. Dr. A.L. Smeulers, Betrouwbaarheid van getuigenbewijs in WIM-zaken, Strafblad nov. 2014, p. 345 – 364.

[2] Dr. R. Horselenberg en A.W.E.A. de Zutter MPhil, Tijd, training en Tolk, Strafblad nov. 2014, p. 365 – 373.

[3] R. Hoselberg, H. Merckelbach, G. van Breukelen en I. Wessel, ‘Individual differences in the accuracy of autobiographical memory’, Clinical Psychology and Psychotherapy 11 (2004), p 168-176.

[4] Hof Den Haag, 7 juli 2011, ECLI:NL:GHSGR:2011:BR0686, r.o. 9.1.

[5] F. Gabbert, A. Memon en D.B. Wright, ‘Memory conformity: Disentangling the steps toward influence during a discussion;, Psychonomic Bulletin & Review 13 (2006), p. 480-485; H.L. Roediger III, M. Meade en E. Bergman, ‘Social contagion of memory’, Psychonomic Bulletin & Review 8 (2001), p. 365 – 371.

[6] Rechtbank Den Haag, 23 maart 2009, ECLI:NL:RBSGR:BI2444.

[7] Zie bijv. H. Merkelbach, G. Zeles, S, van Bergen en T. Giesbrecht, ‘Trait dissociation and commission errors in memory reports of emotional’, American Journal of Psychology 120 (2007), p. 1-14.

#070: Het discussiestuk; getuigen

Het zal niemand zijn ontgaan dat het de bedoeling is om het Wetboek van Strafvordering te moderniseren. In totaal gaat het om 19 wetsvoorstellen. Het streven is om eind 2014 een brief te sturen aan de Tweede kamer met de hoofdlijnen van de eerste wijzigingsvoorstellen voor het nieuwe Wetboek van Strafvordering. In 2015 moeten alle wetsvoorstellen bij de Raad van State liggen. Aan iedereen wordt de mogelijkheid geboden om mee te denken over de wetsvoorstellen. Ten behoeve daarvan zijn verschillende discussiestukken op de website van de rijksoverheid gepubliceerd. Dit geeft de advocatuur – onder meer – de mogelijkheid om in een vroeg stadium mee te denken over de wijzigingen in het Wetboek van Strafvordering. Wij zouden menen dat eenieder hier actief gebruik van moet maken. Daarom stellen wij hier het discussiestuk over de getuigen aan de orde.

Het voornemen bestaat om in het Wetboek van Strafvordering een getuigentitel in te voeren met daarin opgenomen de belangrijkste rechten en plichten van de getuige en een regeling van het politieverhoor van de getuige. Zo zal de verschijningsplicht in deze titel worden opgenomen, de verklaringsplicht en de plicht naar waarheid te verklaren. Daarnaast wordt gesproken om ook aandacht te schenken aan de rechten van de getuige, zoals een correcte bejegening, recht op (rechts)bijstand en informatie over rechten en plichten en/of de onkostenvergoeding. Stuk voor stuk interessante onderwerpen. Onze aandacht ging echter direct uit naar de regeling over het politieverhoor. Een onderwerp waarover het Wetboek van Strafvordering met geen woord rept terwijl het belang hiervan immens is.

In het discussiestuk over de getuigen staat dat overwogen dient te worden dat de verdediging in sommige gevallen wordt toegelaten bij het politieverhoor. In de Nederlandse praktijk komt dit nu bijvoorbeeld voor bij het studioverhoor van een minderjarig slachtoffer. Het gaat dan om een verhoor van een getuige waarvan op voorhand duidelijk is dat die getuige niet meer door de rechter-commissaris of ter zitting opgeroepen zal worden, omdat het welzijn van de getuige zich daartegen verzet. Niettemin zouden wij menen dat niet alleen het belang van een getuige een rol zou moeten spelen in de afweging of de verdediging aanwezig dient te zijn bij een politieverhoor van een getuige. De aanwezigheid van de verdediging bij het politieverhoor zou tevens de waarheidsvinding en de efficiëntie van het strafproces ten goede komen.

Niet zelden komt het bijvoorbeeld in een FIOD onderzoek voor dat gedurende een verhoor door de FIOD vragen worden gesteld aan een getuige waarbij bepaalde termen worden gebruikt die op verschillende manieren voor interpretatie vatbaar zijn of waarin een suggestieve connotatie is verwerkt. De praktijk is nu dat een getuige veelal later nog een keer moet worden opgeroepen – wat de nodige kosten en irritatie bij een getuige oproept – om enkel wat zinsneden uit een eerder verhoor te verifiëren of te verduidelijken. Aan de antwoorden van de getuige geeft de FIOD vervolgens zijn eigen interpretatie met de nodige gevolgen van dien. Hier ligt een belangrijke rol voor de verdediging om controlevragen te stellen en ervoor te zorgen dat het verhoor op papier komt zoals de getuige daadwerkelijk bedoelt.

Hiermee is niet gezegd dat de FIOD over het algemeen een verkeerde verhoortechniek toepast. Echter, taal is nu eenmaal een lastig instrument. Het is niet voor niks dat communicatie tussen mensen voor 70% uit lichaamstaal bestaat. Een proces-verbaal van een getuigenverhoor dat van cruciaal belang voor de waarheidsvinding is kan ons inziens dan ook het beste plaatsvinden in aanwezigheid van de verdediging. Dit komt de waarheidsvinding en de efficiëntie ten goede. Daarbij kan echter niet als voorwaarde worden gesteld dat met goedkeuring van de verdediging de getuige later niet meer zal worden opgeroepen, zoals wordt geopperd in het discussiestuk. Het lijkt ons immers dat de verdediging nooit zo een toezegging zou kunnen doen. Zo beschikt de verdediging over het algemeen in deze fase van het proces nog niet over het gehele procesdossier of kan zij het verhoor niet met de cliënt bespreken. Dit terwijl de cliënt bij uitstek de feiten kent en dus kan beoordelen welke vragen nog aan een getuige gesteld moeten worden.

Kortom, wij menen dat de aanwezigheid van de verdediging bij een politieverhoor van groot belang kan zijn voor de waarheidsvinding, de efficiëntie van het strafproces en dus ook de belangen van de getuigen.

Hoe zie jij de rol van de verdediging bij een politieverhoor en welke toegevoegde waarde kan de verdediging jouw inziens hebben? Vind jij dat de aanwezigheid van de verdediging bij een politieverhoor wettelijk moet worden geregeld?

#047: Schijnbaar partijdig op de zaken vooruitlopen

Artikel 512 Wetboek van Strafvordering (Sv) biedt de verdachte de mogelijkheid een (schijnbaar) partijdige rechter te wraken. Een dergelijk wrakingsverzoek slaagt eerst indien aangetoond wordt dat de rechterlijke onpartijdigheid op grond van feiten of omstandigheden schade zou kunnen lijden. Dat dit geen eenvoudige exercitie is, blijkt uit de jurisprudentie ten aanzien van dit onderwerp: veel wrakingsverzoeken worden afgewezen. Zie daartoe bijvoorbeeld de uitspraak van Rechtbank Noord-Nederland van 28 oktober 2013. Een wrakingsverzoek slaagt dus niet zomaar. Het ‘enkel’ niet eens zijn met de beslissing van een rechter levert (uiteraard) geen wrakingsgrond op. Dit zou immers een verkapt hoger beroep opleveren. De rechter moet zich daadwerkelijk partijdig hebben opgesteld of in ieder geval de schijn van partijdigheid hebben gewekt. Twee recente uitspraken laten zien dat onder omstandigheden het niet eens zijn met de beslissing van een rechter, toch een wrakingsgrond oplevert. Dit is het geval indien de rechter zijn beslissingen op vooringenomen wijze (b)lijkt te hebben genomen.

Hof Amsterdam besliste in een zaak van 23 december 2013 dat de rechters in de betreffende zaak inderdaad partijdig hebben gehandeld en verklaarde het wrakingsverzoek gegrond. De beslissingen van de strafkamer waren in deze zaak onderwerp van het wrakingsverzoek. In deze zaak had op 26 augustus 2013 een regiezitting plaatsgevonden, waar nader te horen getuigen waren opgegeven door de verdediging. De getuigen betroffen (onder meer) een verbalisant en de officier van justitie, die duidelijkheid dienden te verschaffen over de aanvang van het onderzoek. Het onderzoek is vervolgens onderbroken en op 2 oktober 2013 hervat. Tijdens die zitting heeft de voorzitter de afwijzende beslissingen van de strafkamer ten aanzien van de onderzoekswensen meegedeeld.

Op 8 oktober 2013 is vervolgens een wrakingsverzoek ingediend door de verdediging. Uit dit verzoek blijkt dat de getuigenverzoeken zijn gedaan in verband met een (ook) in hoger beroep te voeren verweer dat bij de start van het onderzoek onrechtmatigheden hebben plaatsgevonden die tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie moeten leiden, met toepassing van artikel 359a Sv. Het proces-verbaal terechtzitting duidt erop dat ook de strafkamer de verzoeken dienovereenkomstig heeft opgevat. De hieruit volgende vraag of de gestelde onrechtmatigheden tot toepassing van artikel 359a Sv moeten leiden, is voorgelegd aan de strafkamer ter beoordeling op grond van het onderzoek ter terechtzitting. De strafkamer heeft de afwijzing gemotiveerd door te stellen dat, voor zover al onrechtmatigheden hebben plaatsgevonden, deze hebben plaatsgevonden in het kader van een ander onderzoek en niet in het vooronderzoek naar de feiten die in de onderhavige zaak aan de orde waren. De wrakingskamer heeft geoordeeld dat de strafkamer schijnbaar vooruit is gelopen op de bij het eindarrest te geven beoordeling. De wrakingskamer acht de vrees van verzoeker voor vooringenomenheid van de strafkamer objectief gerechtvaardigd en verklaart het verzoek gegrond.

Ook was onlangs een wrakingsverzoek aan de orde in een vonnis van Rechtbank Noord-Holland van 30 december 2013. In deze zaak hebben de rechters het verzoek van de verdediging om het concept proces-verbaal van een getuigenverhoor aan het procesdossier te voegen, afgewezen. In de latere – door dezelfde rechters – afgegeven beschikkingen waarin de verzoeken tot opheffing/schorsing van de voorlopige hechtenis zijn afgewezen, zijn zij ingegaan op het verweer. Dit  was door de verdediging (mede) gebaseerd op het concept proces-verbaal dat zij aan het dossier had willen voegen. In deze zaak staat vast dat de rechters van dat stuk geen kennis hadden genomen. Desondanks hebben de rechters in hun motivering tot afwijzing van de verzoeken tot opheffing van de voorlopige hechtenis een oordeel gegeven over de gegrondheid van het proces-verbaal. Dit wekt volgens de wrakingskamer ten minste de indruk dat de rechters een oordeel hebben geveld zonder daarbij het bewijsstuk te willen betrekken.  Daarmee is de indruk gewekt dat de rechters op voorhand verzoekers niet in het door hun bepleite standpunt wilden volgen en het aangedragen bewijsstuk niet in hun beslissing wilden betrekken. Hiermee is de schijn van vooringenomenheid volgens de wrakingskamer gegeven; het wrakingsverzoek is dan ook toegewezen.

Dat voorzichtig dient te worden omgesprongen met het doen van een wrakingsverzoek is duidelijk. Het ‘zomaar’ gebruiken van dit middel kan worden aangemerkt als misbruik om het proces te frustreren. Wij zijn benieuwd naar jullie ervaringen met wrakingsverzoeken. Wanneer zet je dat middel wel in en wanneer niet? En indien je het middel hebt ingezet, is het toen gegrond verklaard?